Gedicht: Aarde

Dit gedicht komt uit een bundel Sonnetten van de kleine waanzin, geschreven door Hans Andreus toen hij kanker had en wist dat hij dat niet zou overleven. In het gedicht herken ik de overgave aan de gang van het leven. Meebuigen met de storm die zijn lichaam verwoest en ziek durven zijn, weten dat de dieren en de planten zonder iets uit te leggen zullen doorgaan en opstaan uit hun zaad.

Het werkt zo, vertellen stervensbegeleiders overal ter wereld: als je je eigen angst en je eigen verdriet in een groter geheel weet te zetten, kun je het beter dragen. Je relativeert het niet, je relateert jezelf. Het is het verschil tussen ‘je bent heus niet de enige’ en ‘je bent niet alleen’.

Dit gedicht leeft al met mij mee sinds ik het als eerstejaars student Nederlands analyseerde voor een tentamen. Dat grotere geheel dat volkomen onsentimenteel maar wel omsluitend is. Waarin je meedraait omdat dat de gang van het leven is. Waarin je na je dood wordt opgenomen en tot het laatste atoom wordt hergebruikt in nieuwe levensvormen.

Door de jaren heen kreeg het een nieuwe lading, die van klimaatverandering en de afweer die mensen kunnen ontwikkelen om niet te hoeven denken aan zo’n groot geheel in groot gevaar.

Zo begrijpelijk. Want het is zo onoverzienbaar groot. De mensen zeggen ‘stof, ha stof, wat is dat: stof?’ en ze zijn stof. Ze vallen uit het lied. Het lied van de aarde dat doorgaat, het samenhangende weefsel dat uit elkaar dreigt te vallen door vervuiling en verwaarlozing. Mensen vallen eruit, het lied stokt en wordt een kakofonie van vloedgolven, krakend hout en schreeuwende dieren.

Kun je de storm beheersen? Nee, je moet meebuigen, zoals Hans Andreus meebuigt met zijn dodelijk zieke lichaam en op die manier ziek durft te zijn.

Durf ik ziek te zijn en het lied van de aarde te blijven zingen?

Aarde, geliefde, jij mijn vele uren
van vroeger en ook nu, aarde: zottin,
plezier, spelen, feest, angst dood, rouw – ònzin
(al denk je anders), seconde van duren

(al dènk je anders), – maar jij, jij denkt niet;
die op je wonen, ze doen nog alsof:
stof zeggen ze, ha stof, wat is dat: stof?
en ze zijn stof. Ze vallen uit het lied.

Aarde, ach toch mijn ellips van geluk.
Wat zeggen de dieren? Ze zeggen haast alles.
Wat zeggen de planten? Ze leggen haast alles

Niet uit; ze staan domweg op uit hun zaad.
Maar de storm, de storm waarvoor ik mij buk?
Ik vraag alleen, zegt de storm, of je meegaat.

Hans Andreus
Uit: Sonnetten van de kleine waanzin. Holland, Haarlem 1971

Meer gedichten over dit thema vind je bij Gedichten over sterven, afscheid en verder gaan.

Wil je vrijblijvend kennis maken en horen wat ik voor je kan betekenen als jij afscheid moet nemen van een dierbare? Neem dan contact op via het contactformulier.

Reacties zijn gesloten.