Altijd is daar de zee

Als ik wil nadenken over een ritueel, over een overweging voor een herdenking, ga ik naar het strand. Ik heb het geluk dat ik op 20 minuten lopen van het strand woon. In de jaren dat ik nu in Den Haag woon, heb ik het strand zien veranderen van een rustig strand met hier en daar een strandtent, die in april werd opgebouwd en in oktober weer afgebroken, naar een ontwikkelgebied met ambities. Het Zuiderstrandtheater verrees. Er kwamen meer strandtenten die Engelse namen of motto’s kregen. Overdag stootten ze meer geluid uit over het strand en ’s avonds meer licht. De zandmotor veranderde het tij. In de haven voeren meer schepen in en uit en voor de haven bleven meer schepen voor anker liggen. De boulevard van Kijkduin kreeg een make over.
 
Maar de zee bleef hetzelfde.
Meer boten in de verte, uitzicht op de Rotterdamse haven op de heenweg, uitzicht op de Pier en het Reuzenrad van Scheveningen op de terugweg, maar daartussenin: de zee.
Op de ene dag kwallen, op de andere zeewier en op een weer een andere dag vervuild plastic en smerig schuim. Maar altijd weer: de zee.
Het geluid van de golven, het veranderende licht op het water, het af en aan spoelende water over mijn  voeten, dat waren steeds mijn metgezellen in mijn zoektocht naar de woorden, het beeld, de melodie.
Laarzen in de winter en blote voeten in de zomer, steeds ander water en toch: de zee.
 
Alles stroomt en de zee blijft hetzelfde.
Dat eeuwigheidsgevoel begeleidt me al deze jaren. Ik heb langs de zee gelopen met collega’s, met naasten die even de druk van de mantelzorg wilden verlichten, met nabestaanden die samen wilden terugblikken op de laatste riten.
 
En altijd was daar de zee.

Soms stelde de grootsheid van de zee me gerust met mijn kleine zorgen.
Het gaat voorbij, ook dit moment van zorgen en benauwdheid gaat voorbij. Ook dit probleem is straks voorbij. Deze familie vol wrok en stil verwijt die jou nauwelijks toelaat. Deze vrouw die maar blijft proberen of haar man toch niet… maar nee. Zoveel is er niet dat jij kunt doen. Maar doe wat je kunt. Dat is wat je kunt.

Soms maakte de zee mij klein. Vooral als ik weer foto’s zag van onafzienbare velden vol plastic afval. Ik ken de doemverhalen, ze vergezellen ons al vanaf mensenheugenis. Maar in de laatste eeuw zijn ze zo groot geworden. Het besef dat we meer atoomkracht bezitten dan nodig om de aarde te verwoesten. Het besef dat we collectief het klimaat verwoesten. Is dit de zee? Kan de zee dit verdragen?

En dan denk ik weer aan de dingen die we wel kunnen doen. Niet meer zoals Voltaire zei, ons eigen tuintje bewerken. Dat is te weinig. We moeten ons verbinden omdat ook onze tuintjes verbonden zijn. Mij inspireerde de zee om mee te lopen met de klimaatmars. Ook al zet dat in eerste instantie geen zoden aan de dijk. Maar verbinding ervaren met mensen die de zee willen houden zoals ze is, onze grootste levensbron, dat heb ik nodig.


Ik zou ook met al die mensen langs de zee willen lopen. De grootsheid van de zee zien en dan laten doordringen dat we door opeenstapeling na opeenstapeling in staat blijken te zijn om deze grootsheid te vervuilen. Maar wel met mensen die daar samen een eind aan willen maken.

Sommige veranderingen gaan langzaam.
Zo langzaam dat je ze nauwelijks waarneemt. Diep in de zee begint een draaibeweging, onzichtbaar vanaf het strand. Kilometers verderop is die kleine beweging een golf geworden, die bruisend over de kop gaat en zichzelf over het natte zand uitstort.
Dan trekt het water zich terug.
Diep in de zee is allang een volgende draaibeweging begonnen. We zien het niet eens vanaf het strand. Een golf is voor ons pas een golf als we de gebogen rug van het water kunnen zien, de botsing van water en land.
 
Waar is het begonnen?
Waar wordt een golf geboren?
Hoe bereikt de golf onze blik en wordt het een golf in plaats van een massa water?
Hoe organiseren wij ons in onze zorg om de zee tot een niet langer te negeren beweging?

Vragen waarop ik dit jaar een antwoord wil zoeken.

En altijd blijft er de zee.

Geef een antwoord