Vooruitkijken, een deugd in de participatiesamenleving?

Toen mijn vader voor het eerst een hartinfarct kreeg, begon ik te denken aan de toekomst.
Als kind was ik eraan gewend dat mijn ouders jarenlang wekelijks hun eigen ouders hielpen. Omdat ze beide uit grote gezinnen kwamen, konden ze de zorg voor hun ouders onderling verdelen. Hoewel ik ook broers en zussen genoeg had om zo’n systeem op te tuigen, besefte ik dat de situatie was veranderd. Al mijn broers en zussen en hun partners hadden een baan en sommigen van ons ook jonge kinderen. Het zou voor ons een stuk ingewikkelder zijn om voor onze ouders te zorgen zoals zij voor hun ouders hadden gezorgd.

Ik besloot dus om de onderwerpen ‘zorg’, ‘wonen’ en ‘hulpbehoevendheid’ aan te snijden.
Geen onverdeeld genoegen. Ik was bepaald niet de enige die het ingewikkeld vond, als ik zo overzie wat er over het uitstellen van advance care planning en zorgplannen wordt gepubliceerd.

Mijn ouders waren op dat moment nog geen zestig, realiseer ik me achteraf. Maar het onderwerp leek me urgent genoeg. Ik kende de rondzingende verhalen van wanhopige kinderen die met hun ouders urenlang in de hal van een verpleeghuis zaten te wachten omdat er geen enkele andere manier leek te zijn om ze opgenomen te krijgen.

Dat scenario wilde ik vóór zijn. Vooral vanwege de paniek die toesloeg doordat de ouders noch de kinderen het onderwerp durfden aanroeren. En dat jarenlang. Jarenlang stilzwijgend tobben om het er niet over te hoeven hebben. Jarenlang met die sluimerende onrust dat er ‘toch wel een keer iets moet gebeuren’. Dan kon het zomaar te laat zijn, de wachtlijst te lang, de drempel te hoog.

Dan liever vanuit een relatief rustige start toegroeien naar een situatie van onomkeerbare hulpbehoevendheid. Voorbereid zijn op mantelzorg, voorbereid zijn op een afscheid in stappen. Tenslotte hoort dat bij het leven.

Al was het voor mijn ouders uiteindelijk niet nodig, ik heb geen spijt dat ik de toekomst al bij het eerste hartinfarct heb aangeroerd. Sterker, ik ben er blij om. Het hielp mij. Het was de eerste stap in de openheid over de onontkoombare kwetsbaarheid die ik ga meemaken als ik ouder word. En het was de opening van gesprek tussen mijn man en dochter en mij, tussen mijn zus en mij, zodat we weten van elkaar wat voor ons van belang is, mochten we even plotseling als onze ouders ziek worden en overlijden. Daarmee hebben we genoeg te incasseren. Een plotselinge gedwongen verhuizing of juist een langdurig moeten wachten op een plekje in een overbelaste instelling is dan het laatste wat ik wil of mijn geliefden wil aandoen.

Sinds dat gesprek met mijn ouders in 1994 heb ik de legitimatie van de zorg en de zelfredzaamheid langzaam zien veranderen. Van de ‘zorgzame samenleving’ via ‘Nederland verandert en de zorg verandert mee’ naar het brute gebod om eerst de ‘gebruikelijke zorg’ op te souperen en in eigen regie je eigen zorg te organiseren voordat je de overheid tot last mag zijn.

Voor mij is dit vooruitkijken een vorm van burgerschap die niet afhankelijk is van overheidsbeleid. Dat wil niet zeggen dat het overheidsbeleid er geen invloed op heeft, maar die invloed is niet legitimerend of opeisend. Het is eerder de juridische en economische bedding waarin mijn burgerschap gestalte krijgt. En wat dat betreft heb ik nog wel wat verbetervoorstellen voor die bedding. Die zullen volgen in komende blogs.

Geef een reactie