Voor wat hoort wat 2.0.

Terwijl het debat over de nieuwe wet op de orgaandonatie op zijn hoogtepunt was, las ik een studie over de manier waarop onze voorouders in het Stenen Tijdperk omgingen met de dood. Vrijwel niets kwam overeen. De dood was daar alom aanwezig. De dood kwam onverwacht en snel: een bevalling kon je dood betekenen. Een val. Een roofdierbeet die ontstoken raakte. Je kon dus maar beter voorbereid zijn. De dood was een reis in een Andere Wereld, zoals die nu nog steeds wordt ervaren door shamanen. Eigenlijk was je pas dood ná de reis door die wereld, als je als ziel ergens was neergestreken.

Het meest in het oog springende verschil was de grafgift. Overledenen kregen van alles mee om de reis in de Andere Wereld te doorstaan. Ze moesten zich voorbereiden op gevechten met demonen, op aanvallen van andere zielen, op getest worden tot ze konden overgaan naar een andere staat van zijn, als nieuwe ziel in de stam, of als een god(in).

“Gelieve niet te spoken” was één van de boodschappen van de grafgift. Je krijgt alles mee wat je nodig hebt en wat wij je kunnen geven, dus blijf daar waar je bent. Maar ook “Doe ons een gunst daar”. De mate waarin je je familieleden aan een uitrusting hielp zou jou op jouw beurt weer kunnen helpen.

Dus de levenden gaven van alles aan de doden. Om gespook te voorkomen. Om zelf op het moment van sterven verzekerd te zijn van hulp in de Andere Wereld.
Niet andersom.

De Andere Wereld is verdampt als een zeepbel. Alles gaat om deze wereld, aan deze kant van de dood. Nu laten overledenen niet alleen hun kapitaal en spullen na, maar ook hun organen. Het gaat zelfs zo ver dat je lichaam een Fundgrube wordt voor organen die je immers na je dood zelf niet meer nodig hebt. Wat een enorm contrast. “Gelieve niet te spoken” wordt “Gelieve in orgaanvorm in andere lichamen door te leven.” “Doe ons een gunst daar” wordt “Als je zelf geen orgaandonor bent moet je ook niet verwachten dat je orgaanontvanger kunt worden.”

Voor wat hoort wat 2.0.

Ik ben geen orgaandonor. Heel bewust niet. Ik wil dat mijn familieleden afscheid van mijn lichaam kunnen nemen en mijn dood tot zich kunnen laten doordringen als ze voelen dat mijn lichaam langzaam afkoelt. Ik weet hoe zwaar het was om mijn vader pas te kunnen aanraken toen hij na zijn onverwachte overlijden al op een koelplaat lag, en ken het immense verschil met mijn moeder, die ik mocht verzorgen in het hospice, haar lichaam nog warm, maar onmiskenbaar levenloos en afkoelend onder mijn handen. Hoe het me hielp om met mijn handen te ervaren dat ze was overleden.
Niemand mag daar tussen komen.

Ik ben wel donor, bij leven. Van bloed. Van tijd en aandacht in verschillende vrijwilligersprojecten. Ik ben dus van harte een instrument voor het leven van anderen.
Ik vind het zorgelijk dat het instrument-worden voor het leven van anderen deze medisch-technische vorm aanneemt. Het gaat veel verder dan het bezwaar van zelfbeschikking dat wordt ingezet tegen de ja, mits in het wetsvoorstel. Het brengt ons nog een stapje verder bij een functionalistische, mechanistische benadering van wat het is om een mens te zijn.

Dus nee, ik zal geen gebruik maken van een donororgaan. Niet omdat ik er geen recht op zou hebben, maar omdat ik geen gebruik wil maken van de onderbreking van het sterfproces van iemand anders en het afscheidsproces van de naasten. Sterven is zo intiem en zo delicaat. Daar hoort niemand bij die niet persoonlijk met mij en mijn naasten verbonden is.

Tijd is kostbaar. Om nog maar te zwijgen van aandacht.
Ik loop er vaak tegenaan: een systeem dat technisch mensenlevens ‘redden’ of het naakte voortbestaan in stand houden zo veel hoger aanslaat dan aandacht, respect en vrijwilligerswerk dat sterfbedden verzacht. We kunnen met behulp van orgaandonoren levens in stand houden. Maar als we niet ook werken aan de kwaliteit van die levens, wie wil er dan uiteindelijk ‘gered’ worden?

Geef een reactie