Sorry, ik ben van vóór het kringgesprek

“Erover praten helpt.” Ik herinner me het opschrift op de linnen tassen van het Vrouwensteunpunt Leiden in de jaren 90. Voer voor overdrijving in onze vrouwenstudiegroep. In de emmer met muurverf gestapt? Erover praten helpt. Zonder sleutels voor de voordeur terecht gekomen? Erover praten helpt. Niet meteen met een oplossing komen (in het feministisch paradigma van die jaren was dat een ‘mannelijke’ reactie) maar luisteren, en vooral: meeleven.

Erover praten spreekt niet vanzelf
Dat ‘erover praten’ niet zo vanzelfsprekend is realiseer ik me tijdens een lezing bij het NIDI, over bevolkingsopbouw en eenzaamheid. Professor Gierveld benoemt eenzaamheid als ´de kloof tussen je sociale wensen en de werkelijkheid van je sociale contacten´. Minder mensen om je heen dan je zou willen, of minder vertrouwelijk contact dan je zou willen. Dat ligt soms aan de beschikbaarheid van mensen om je heen, soms aan iets anders. Bijvoorbeeld:

“Het vermogen om te praten over eigen emoties is een verworvenheid van de nieuwe generaties, die opgegroeid zijn met kringgesprekken op school. Voor hen is het heel gemakkelijk om over hun ervaringen te praten. Oudere generaties hebben niet altijd geleerd om dat te doen.”

Sterker wordt het verwoord door Mirjam Röhling, geestelijk verzorger, in een paneldiscussie over rouw. Zij zegt:

“Het voordeel van de jongere generaties is dat zij beter in staat zijn om zich te uiten en om een positie in te nemen tegenover gebeurtenissen in het leven. Als ik met oudere mensen praat over hun leven, vertellen ze vaak dat ze niet weten hoe ze hun gevoel moeten uiten. Of ze zeggen ‘dat was gewoon zo’, ‘dat deed je gewoon’. Het idee dat je je ertoe kon verhouden, of zelfs er tegenin zou kunnen gaan, bestond gewoon niet.”

Kringgesprek natives
Erover praten helpt. Als je tenminste de woorden tot je beschikking hebt en de oefening hebt gehad vanaf het kleuterstoeltje in de kring. Kringgesprek natives zijn wij, zoals kinderen van na 1990 digital natives zijn. En als je ziet wat er voor kinderen verschijnt om over hun emoties te leren praten of zich voor te bereiden op afscheid en rouw dan hoef je je geen zorgen te maken.

Kringgesprek natives die nu de leeftijd van beleidmakers hebben bereikt, hebben hun mondigheid en assertiviteit als vanzelfsprekend meegenomen in hun beleid. En talloze helpers en ondersteuners betreden met een vanzelfsprekende mondigheid de ruimte van ouderen om hen te ondersteunen in hun ‘eigen regie’ en autonomie, Shared Decision Making en Advance Care Planning. Ze moeten expliciet leren zich af te stemmen op de situatie van hulpvragers; een duidelijk voorbeeld daarvan is hier.

Maar die afstemming is nog altijd impliciet gebaseerd op het mondigheidsmodel.

In gesprek?
Tegelijkertijd kun je je afvragen wat dat betekent voor mensen die niet vanzelfsprekend geleerd hebben zich te uiten nu te verlangen dat ze assertief en zelfbewust hun keuzen maken uit het zorgaanbod. En dat is nog redelijk vastomlijnd; het gaat over behandelingen, producten en medicijnen. Met bespreekbare voor- en nadelen, (bij-)werking en effecten.

Een volgende vraag is indringender. Hoe spreek je je uit over veel minder vastomlijnde onderwerpen, zoals levensvragen en zingeving? En vooral over de dingen die pijn hebben gedaan – en misschien nog. Over doodgeboren kinderen die ook nog doodgezwegen werden. Over je vader die stierf en jij die als achttienjarige de zaak moest overnemen, en je dromen met je vader kon begraven.
Wat moet je doen als ‘erover praten’ na zoveel jaren zwijgen je dan overstelpt?

Dat roept nieuwe vragen op.
Bijvoorbeeld de vraag naar het accepteren wat er was, het berusten in het leven zoals het ging. Word je vanzelf een ‘kwetsbare oudere’ als je je niet kunt uiten op de manier die past bij een kringgesprek-native of een autonoom regie voerende burger?
Hoe normatief is het vermogen om je verbaal te uiten eigenlijk geworden?
Kan van stilzwijgende berusting ook troost uitgaan in een wereld die maakbaarheid tot impliciete norm heeft verheven?

Dat veel ouderen het houden bij ‘het was gewoon zo’ is dan eigenlijk uitstekend te begrijpen. Het voorkomt een golf van emoties die misschien niet te stelpen zijn.

Dat het advies aan geestelijk verzorgers en naasten is om het niet open te wroeten en er ‘alleen – maar’ te zijn, ook. Zo herinner ik me een oude man die nooit geleerd had om te praten. Maar samen met zijn zoon zat hij voor het raam, en keek uit op de tuin. Armen om elkaars schouders. Woordeloos begrip over en weer. Praten zou de verhoudingen forcerend hebben. Zo herinner ik me een oude vrouw die een week voor haar dood verzuchtte dat iedereen in de verzorging zo lief voor haar was, en die niet wilde praten over haar jeugd in weeshuizen en dienstjes. Ze wilde dat de laatste weken van haar leven vol liefde waren. De modder en drek van vroeger moesten verbannen worden. We zaten zonder woorden in de zon.

Erover praten helpt als je gewend bent om te praten over wat je bezighoudt.
Erover praten helpt als zwijgen meer pijn doet dan spreken.
Erover praten helpt als de vertrouwde manier van omgaan met de pijn niet meer genoeg is.

Maar anders niet.

Geef een reactie