Rituelen van het stadsleven

Vorige week viel er een dode in onze straat. Een man van 27 jaar, waarschijnlijk in een dronken bui op een steiger geklommen, door de dakgoot gelopen en iets verderop op straat gevallen. Onze straat heeft hoge huizen: vier etages van een meter of drie hoog. Zo’n val overleef je niet. De volgende dag was er, na de afzetting, politie-helikopter en buurtonderzoek, door de buren een herdenkingsplek gemaakt. Met een cru en waar woord: landingsplaats. De plek waar hij landde – en stierf.

En zoals dat gaat in het leven van de grote stad: even is er ruimte en tijd om een lege plek te handhaven. Even is er ruimte en tijd om de dode te herdenken. Maar dan gaat het leven verder. De dode raakt op de achtergrond. Ruimte is schaars in de stad.

De bloemen van de landingsplaats komen op de stoep terecht, want op de plek van de bloemen kan een auto parkeren.

Wat kun je daarvan zeggen? Dat het een probleem is, hoe weinig tijd en ruimte ‘wij’ hebben om een onverwachte dode te herdenken? Of dat het bijzonder is dat een onbekende dode herdacht wordt op een spontane manier? Ik kies voor het laatste. Met erkenning van het eerste. Er ís weinig tijd en ruimte om doden te herdenken. Als het dan toch gebeurt, voor een onbekende dode, dan is dat bijzonder.
Het toont ons vermogen om in de drukte en stress van alledag op een eigen manier stil te staan bij onfortuinlijke medemensen.

Binnenkort gaat het regenen. De letters worden weggespoeld, de bloemen zullen niet meer zijn dan een flodderig vlekje tegen de bestrating. Er zal weinig over zijn van de landingsplaats.

Er viel een dode in onze straat. Een onbekende man van 27 jaar. Hij is door mensen die hij niet kende herdacht.

Comments are closed.