Liever een meisjesgod

Ze zegt het achteloos, haar beentjes recht voor zich uit op de bank in de trein. Ze heeft een nachtje bij mijn ouders gelogeerd omdat ik een conferentie had. Mijn moeder heeft verteld dat ze een nogal vreemd gesprek met haar heeft gevoerd over God.
“Heb je met oma over God gepraat? Dat zei ze.”
Het duurt even voordat mijn dochter het zich herinnert. Het was na het eten en Bijbellezen.

“O, ja. Ik zei gewoon: ‘ik heb liever een meisjesgod’.”
“En wat zei opa toen?” vraag ik.
“Opa zei niks.”

Ik ken dat niks.
De stilte van iemand die niet weet wat te zeggen. Sprakeloos door een ongehoorde, onvoorstelbare uitspraak. Een meisjesgod.
Niet weten wat te zeggen en dan zwijgen. Niet in staat tot verbinden, alleen tot verstenen en anderen gijzelen in die verstening.
God, wat ken ik dat goed.

“En oma?”
“O, die wou weten wat voor god dat was.”
“En wat is een meisjesgod?”
“Nou, gewoon, een god die meisjesdingen leuk vindt. Niet met vechten en zo en Jezus aan het kruis.”
“En wat vond oma daarvan?”
“Weet ik niet. Zij gelooft toch in God-en-Jezus?”

God en Jezus, voor mijn dochter eenzelfde eenheid als Bert en Ernie of Snuf en Snuitje.
Maar dan onbegrijpelijk en ver bij haar leefwereld vandaan.
Mijn dochter weet niet meer wat oma vroeg na het bijbellezen. Of waar het verhaal over ging. Iets met Jezus, zegt ze. “En toen mocht ik met W voetballen.”

Ik zie het voor me. Een meisjesgod, een ongehoorde opmerking na het lezen. Uit de kinderbijbel nota bene, waarschijnlijk met een speciaal gekozen verhaal; extra moeite om het slecht geïnformeerde kleinkind iets bij te brengen. Waarschijnlijk daarna de vraag of zij ook van de Here God houdt. Een vraag die allerlei vrome, afgerichte, sociaal wenselijke antwoorden veronderstelt, maar niet dit.

Ik voel een schaterlach die naar buiten moet. Een enorme, bruisende golf van leven.
Mijn dochter wil liever een meisjesgod!
Luister, wereld! De ban is gebroken!

“Nou ja.” zegt ze dan. “Zo leuk is het nou ook weer niet.”
Maar ik kan even niet stoppen met lachen.

Ja! Ja! Ja!
Zij is immuun voor het geweld.
Het is voor haar onvoorstelbaar dat zij zoiets niet zou mogen zeggen.
Of zelfs denken.
Dat mijn vader zweeg was voor haar geen moment aanleiding om in elkaar te krimpen, haar adem in te houden of de rest van de dag alert te zijn op represailles. Ze ging gewoon in gesprek met de grootouder die wèl de verbinding aan kon gaan na een onverwacht antwoord.
En daarna ging ze met mijn jongste broer voetballen op het plein.

Ik knuffel mijn dochter in de laatste golven van mijn schaterlach.
Götterdämmerung, denk ik, begint met een klein onbekommerd meisje.

Geef een reactie