Kinderen en stervelozen

Stervelozen
Toen ik mijn dochter voorlas uit het Nachtverhaal van Paul Biegel en we op het punt kwamen waar een hommel op een blad zat, stief en een ding werd, legde ze haar hand op het boek. “Waarom werd hij een ding?” vroeg ze. “Omdat hij dood ging.” antwoordde ik. “Als ik dood ga, word ik dan ook een ding?” “Ja, je lijf wordt een ding. Maar je gedachten zijn er nog.” Ze knikte en haalde haar hand weg.
Ik las verder. Over de stervelozen: elfen, kabouters en andere sprookjeswezens, die achter de horizon leefden en jaloers waren op de mensen en dieren die dood konden gaan.

De volgende dag kwam ze erop terug. “Zijn mijn gedachten ook sterveloos?” vroeg ze, “Ja, die zijn sterveloos” zei ik.

Dat was het begin van een lang, vaak onderbroken en weer hervat gesprek tussen ons over leven en dood zijn, dood gaan en sterveloos zijn. “Ik ben een sterveloze!” zong ze, en fladderde als een fee door het huis.

Hoe bereiden wij als samenleving kinderen eigenlijk voor op de dood? Natuurlijk is daar geen eenduidig antwoord op. Zoals het woord ‘wij’ hier ook niet eenduidig is. Er zijn zoveel factoren aan te wijzen die van invloed zijn op de manier waarop volwassenen kinderen inwijden in de grote thema’s van het leven. Het meemaken van een overlijden bijvoorbeeld, van een grootouder of een huisdier. De ruimte om over moeilijke vragen te praten. De rol van de (kleuter-)school. Het spelen van videogames, waarin je je spel na een ‘dood’ op hetzelfde level kunt hervatten.

Ik zie een opvallend continuum in manieren waarop de dood in onze media naar voren komt. Aan de ene kant doordachte, psychologisch verantwoorde boeken, films en documentaires, die kinderen in het reine willen brengen met de dood van een familielid, een huisdier of een vriendje, aan de andere kant games, thrillers en animaties waarin de dood tot een zo eng mogelijk spektakel wordt, maar uiteindelijk niet serieus te nemen is. In veel games krijg je probleemloos een derde, vierde of vijfde leven. Dood zijn betekent niets. In een modern ritueel als Halloween zit een vorm van bezwering van het enge van de dood. Lekker griezelen, maar de boodschap is overduidelijk: dit is niet echt.
Echt doodgaan is anders. Dat vindt ver weg plaats en niet bij ons. In een ziekenhuis of in een andere gecontroleerde omgeving. En dat is niet voor kinderen.

Maar het ligt anders.

Gruwelijkheden in tekenfilms voor kinderen

Onlangs luidde een aantal artsen en psychologen de noodklok over de manier waarop in kinderfilms de dood naar voren komt: Cartoons Kill.

In kinderfilms is sprake van meer geweld dan in films voor volwassenen, waarschuwen ze, en vindt een incident waarbij iemand om het leven komt eerder in de film plaats, met grotere gevolgen. Kleine Nemo verliest zijn moeder al na vijf minuten door een gruwelijke barracuda. Direct daarna begint zijn dwaaltocht. Stel je je eigen kleuter voor die de avonturen van Nemo volgt maar geen kant op kan met de bibbers over die enorme roofvis.

De auteurs van het artikel dringen er bij ouders op aan dat ze samen naar films kijken en hun kinderen bewust maken van de dood.

De psychologe Philippa Perry schrijft daarover dat Bambi ook het slechte nieuws kan brengen. Het gaat niet zozeer om de angst voor de dood, maar om de culturele inbedding van kinderen in onze wereld, waar mensen en dieren nou eenmaal dood gaan.
Ze gunt het ieder kind om via diverse confrontaties de werkelijkheid van de dood in hun leven binnen te halen.
Als voorbeeld noemt zij Bambi, die na een afschuwelijke drijfjacht zijn moeder verliest. Het is inderdaad een indrukwekkend moment. Maar de sfeer en de muziek zijn ingetogen. Heel anders dan de sensationele Barracuda die Nemo’s moeder verslindt.

De nulde rouwtaak
Dus hoe wel? Een prachtig voorbeeld daarvan vond ik op de blog van Leo Wilhelm, die na de ramp met de MH 17 schreef:

“De enig haalbare manier om vorm te geven aan een integratie van dreigend verlies in ons leven, komt voor mij van de jonge moeder die met haar twee kleine zoontjes de eerste toestellen op Eindhoven stond op te wachten en bloemen in het hekwerk vlocht. In vol bewustzijn van de machteloosheid zag zij het als mede-menselijke taak om daar te zijn, met haar kinderen: “ik kan ze niet overal tegen beschermen, maar ik kan ze wel laten zien dat we hier kunnen zijn”. Zij gaf invulling aan de ‘nulde taak’ in de rouwarbeid, die van opvoeden en opgroeien met een besef van leven en sterven.”

Zo’n verstandige ouder gun je ieder kind.

Veel kinderboeken over rouw gaan al uit van een overlijden, en zijn dus geschikt voor een gerichte voorbereiding op het overlijden van een familielid of een huisdier. Dat is bijzonder fijn als je als ouder of opvoeder voor de taak staat een kind in te lichten over dat overlijden. Een Nederlandstalige lijst vind je bij In de wolken.

Anstrengung der Phantasie
Maar over het sterven zelf, over het sterfelijk zijn, hoe doe je dat?
Samen verhalen lezen waarin de dood voorkomt en erover napraten tot een kind op iets anders overgaat omdat het haar of zijn verzadigingspunt heeft bereikt. Samen films kijken, in een poging tot wat de filosoof Günther Anders noemt ‘Anstrengung der Phantasie’. Het voorstellingsvermogen van een kind trainen, als emotionele oefening. Samen een huisdier begraven en er een grafzerkje voor maken.
Tijdens een boswandeling wijzen op een dode vogel of een dode muis. Terloops, zoals het erbij hoort om je kind op andere dingen te wijzen. Wachten tot een blad zich van de tak losmaakt in de herfst.
Rustig antwoorden op vragen over de dood, ook als ze op een voor jou onvoorspelbaar en onbegrijpelijk moment komen. Het overlijden van een bekende persoon aangrijpen als gespreksonderwerp. En daarna samen het alledaagse leven hervatten.

Er is genoeg dood in de wereld om gewelddadige films als kennismaking met de dood links te laten liggen. Geef ze iets beters.

Geef ze het grootste cadeau dat je ze kunt geven: jouw aanvaarding van de dood.

Geef een reactie