Good grief!

Met slechte wetten en goede ambtenaren valt er altijd nog te regeren.
Bij slechte ambtenaren echter, helpen ook de beste wetten niet.

~ Bismarck

Sophie Stanton, de hoofdpersoon van de roman Good Grief, lijkt bij eerste kennismaking van het chicklittype. Ware het niet dat ze haar man verloren heeft aan een agressieve kanker en sindsdien niet meer past in het leven van een aanstormend marketingtalent. Tot haar verrassing vindt ze zichzelf terug op de bank bij een rouwtherapeut die haar met de beste bedoelingen van de wereld uitlegt door welke fasen ze heen moet, alsof ze met de lift langs allerlei verdiepingen moet:

‘van ontkenning naar woede naar onderhandelen naar depressie naar acceptatie naar hoop naar lingerie naar woningdecoratie naar cadeaupapier.’

Maar:

‘het ziet er naar uit dat de lift kapot is. De laatste drie maanden zit ik opgesloten in de uit-het-raam-staren-en-toast-laten-aanbranden fase van rouw.’

Sophie wil niet. Ze verzet zich tegen de opdrachten en tegen de verplichte bijeenkomsten van de rouwgroep. Netjes binnen de lijntjes rouwen, Sophie, dan kom je vanzelf bij de cadeaupapierfase. Niet uit het raam blijven staren en je toast laten aanbranden, niet vol verzet naar de rouwgroep en pijnlijk scherp de eigenaardigheden van de andere deelnemers opmerken. Aan het werk jij, hup, aan je fasen.

Een herkenbare leeservaring, als je geleerd hebt dat het fasenmodel als achterhaald wordt beschouwd, en soms met enig dedain opzij geschoven wordt, vaak met een verwijzing naar een duaal procesmodel of varianten daarvan. In die modellen is meer sprake van een wisseling tussen twee basisoriëntaties: het onder ogen zien van het verlies en het hervatten van het leven. Meestal wordt erbij vermeld dat het geen rechtlijnig model is en dat het heen en weer bewegen tussen de twee oriëntaties grillig verloopt.

Nou, Sophie, zou jij daarmee opgeschoten zijn? Zou je je aangebrande toast dan zien als een teken van je verliesoriëntatie of je rouwtaak en ..?
Verliesoriëntatie: check.
Aangebrande toast als bewijs: check.
Je doenerige schoonmoeder, die het hele huis van sporen van jouw geliefde wil ontdoen, zo lang mogelijk buiten de deur houden: check.
Het ski-jack waarin zijn geur nog hangt achteroverdrukken omdat het anders in de kringloopwinkel terecht komt… check.

Ontkenning? Depressie? Verliesoriëntatie? Netjes binnen de lijntjes rouwen, Sophie, want je verlies onder ogen zien is iets anders dan bij de gebakken toast neerzitten.

Zou Sophie geholpen zijn met zulke modellen? Beide modellen weerspiegelen het klimaat waarin ze zijn ontstaan. Past het fasenmodel goed in de jaren 50 en 60, waarin therapeuten observerend en al aan hun cliënten mededelen in welk vakje ze horen, door het takenmodel schemert de klimaatverandering van de jaren 90 en 00: dat van ondernemende personen die hun leven als een project ter hand nemen en wel mogen rouwen, maar niet te lang – de economie wacht niet. Evenzeer pijnlijk. Onbedoeld, maar niet minder bezwaarlijk.

Elk model kent voor- en nadelen, aanknopingspunten om te overdrijven of anderen de lijntjes voor te houden. De filosoof Don Ihde noemt een dergelijke selectie ‘highlighting and hiding’. Wanneer je het ene aspect belicht, raakt een ander aspect noodzakelijkerwijs onderbelicht. En soms krijgt je model onbedoeld een heel andere lading dan je dacht.

Wanneer het takenmodel wordt gecombineerd met het voorkómen van uitval uit arbeid of het criterium ‘na 6 maanden normaal functioneren’ lijkt het eerder op normaliseren (of misschien zelfs wel disciplineren) dan op rouwen.
Het pijnlijke jargon ‘six months post loss’ (zeker wanneer het wordt gebruikt als een ijkpunt voor hernieuwde employability) spreekt wat dat betreft boekdelen.

Wordt met een overdrijving van de fasentheorie vooral de observerende therapeut bediend, met een overdrijving van de takentheorie is het de werkgever. Wat dat betreft berg ik beide modellen in hetzelfde laadje op: het laadje van theorievorming die niet om mensen in rouw gaat, maar rouwende mensen ziet als input voor iets anders. En dat ‘anders’ wordt snel genoeg weer normatief en normaliserend.

En naast de vraag naar good grief rijst bij mij de vraag hoe je good research doet naar mensen in rouw. Research zonder objectivering. Research zonder debunking van inzichten die achterhaald raken, zoals alle inzichten. Research zonder snobisme over anderen die de ‘verkeerde’ woorden gebruiken.

We kunnen immers verwachten dat het duale procesmodel zoals we het nu kennen ooit ook weer verlaten zal worden. En wie weet hoe er over twee generaties over rouw gedacht wordt?

Wat als Sophie na 6 maanden een ‘normaal functioneren’-assessment had gedaan (keurig volgens DSM-5, waarin rouw wordt gedefinieerd als een proces dat zes maanden mag duren en anders ‘pathologisch’ is)? De verbrande toastfase is dan voorbij, maar terugkeer naar het marketingbureau is uitgesloten. Ze heeft iets anders omhanden (wil je weten wat? Lees het boek).

Maar het geliefde ski-jack heeft ze nog.
Alleen – daar vragen ze dan weer niet naar.

Bronnen
Winston, Lolly: Good grief (of Sophie’s Bakery For The Broken Hearted) Hutchinson, 2010
Worden, J.W.: Grief Counseling and Grief Therapy, Fourth Edition: A Handbook for the mental health practitioner. Springer Publishing Co inc, 2008
Kübler Ross, Elisabeth: Lessons for the living. How Our Morality Can Teach Us About Life and Living. Simon and Schuster, 2005
Ihde, Don: Technology and th Life world. From garden to earth. Indiana Series in the Philosophy of Technology, 2001
Kritiek op DSM 5 en de snelle labeling van rouw als een pathologie: hier.

Geef een reactie