Gedicht: Ik ben te lang wees

Een gedicht zonder titel, over wees zijn en ergens bij horen.
Het gedicht trof me omdat ik het las als een waarheid over mezelf. Ik kan me ook al geen jaren meer een voorstelling maken van hoe het is om nog ouders te hebben. Het kind-van-ouders-zijn is uit mijn dagelijks leven verdwenen. Geen route of routine die daar nog naar verwijst.
Maar nu het nieuwe van die gewaarwording af is, blijft het gedicht me boeien.

Waarom wil je van je eigen tijd altijd maken? Om deel te hebben aan de onsterfelijkheid, misschien. Om te geloven in je eigen tijd. Om je ouders te kunnen zien als ‘uit’ de tijd. De ultieme losmaking. Alles te danken aan je eigen generatiegenoten.
En wat verandert er dan aan jou als je je eigen gedicht niet meer veranderen kunt?
Ik denk: aanvaarding. Ouder zijn van een kind dat ooit ook wees zal zijn en van tussen haar eigen opgehaalde schouders…

Wacht tot het rode licht gedoofd is. Er kan nog een generatie komen.

***

Ik ben te lang wees om nog van ouders
te zijn. Ik ben van tussen mijn eigen
opgehaalde schouders.

Als ik verder nog ergens van ben, is het
van mijn generatie. Ik wou goed luisteren
naar mijn tijd en daar altijd van maken.

Hoe deed je dat? Ik zou het niet weten.
Door niet te weten, bijvoorbeeld.
Een gedicht was iets

wat je kreeg, iets van al deze anderen
aan jezelf. En dan wist je: dàt was het
wat ik niet wist. En je schreef het op.

En je bleef eraan veranderen, tot je niet meer
kon veranderen, je regels niet, jezelf niet.
En het veranderde je.

Herman De Coninck
uit; De Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1998.

Meer gedichten over dit thema vind je bij Gedichten over sterven, afscheid en verder gaan.

Wil je vrijblijvend kennis maken en horen wat ik voor je kan betekenen als jij afscheid moet nemen van een dierbare? Neem dan contact op via het contactformulier.

Comments are closed.