Gedicht: God, van Luuk Gruwez

Alles wat God maakte moest er zijn, maar de dood? Die kan niet van hem gekomen zijn.
Hij gooit ons uit de vanzelfsprekendheid. De dood – zalig en zachtaardig? Wel in een wereld, volgestopt met kopererts, boorplatforms en tandenstokers.

Ik houd van de god die hier naar voren komt: een zachtaardige, twijfelende creatieveling die de impact van al dat scheppingswerk niet overziet en tegelijkertijd bescheiden blijft. Erkenning van een sterkere kracht die de dood geschapen heeft, ere wie ere toekomt.

GOD

Ik was het niet. Het was een ander.
Ik was net bezig met de miereneter, kopererts,
en het complete visbestand
in de Atlantische Oceaan.
Ik kan het zeker niet geweest zijn.

Ik was daar niet, had niet bepaald mijn dag.
Maar pas had ik Saturnus en de manen rond Uranus klaar,
of, zie, ik moest al tijd en taal verzinnen
en titels bij de meeste van mijn werken.

Ik was bekaf, vond nergens rust,
want had de slaap nog niet geschapen.
Mijn oeuvre nam in omvang toe.
Vooral de vrouw moest heel precies.
Zij moest nog schouders krijgen en een kapsel,
verliefdheid, mijmeringen, moederschap.
En erogene zones die ik maar half begreep.

Ik had geen tijd, had niet bepaald mijn dag.
Er werd van mij verwacht door wie er nog niet was
dat het zou oerknallen in het heelal.
En dan de juiste volgorde, ja die vooral:
de proefbuisbaby en de tandenstoker,
het boorplatfporm en ook ikzelf.

Om maar te zeggen, lieve vriend:
het moet beslist een ander zijn geweest,
een concurrent met meer talent,
die iets zaligs en zachtaardigs
als de dood geschapen heeft.

Luuk Gruwez
Uit: Allemansgek. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2004

Meer gedichten over sterven, afscheid nemen en verder gaan vind je hier.

Comments are closed.