Gedicht: Binnen, van Anna Enquist

Dit gedicht is te waar om mooi te zijn. In sommige recensies werd het als larmoyante kitsch weggezet, maar ik onderschrijf dat oordeel niet. Zelden wordt leegte zo puntgaaf in taal gevat. Ademloze stilte: de dode ademloosheid van de dochter, het ademloze beleven van de stilte door de moeder. Een telefoon die niet meer verbindt tussen buiten en binnen.
Kan het stiller?

Dit gedicht met ijzeren breiwerk achter de wangen hoort voor mij als tweeluik bij het verhaal van Klaas ten Holt, die over het gemis van zijn vrouw schrijft: “En dan proef ik steeds die smaak in mijn mond. De smaak van je afwezigheid. Iets tussen speeksel en bloed in. Leegte.”

Binnen

Straathoek waar zij niet staat,
fietser die haar rug leent, ademloze
stilte van haar telefoon. Zij verschijnt
mij in het missen. Zoeklichten
richt ik op de buitenkant.
Geef op. Laat gaan.

Binnen hangt zij met heel haar gewicht
in mijn voeten, klauwen haar vingers
om mijn slokdarm. Strak
achter mijn wangen spant zij
een breiwerkje van ijzerdraad.

Anna Enquist
uit: De tussentijd, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2004

Meer gedichten vind je hier.

Wil je zien wat ik voor je kan doen als jij afscheid van een dierbare moet nemen? Kijk dan hier.

Comments are closed.