Gedicht: Aarde

Dit gedicht komt uit een bundel Sonnetten van de kleine waanzin, geschreven door Hans Andreus toen hij kanker had en wist dat hij dat niet zou overleven. In het gedicht herken ik de overgave aan de gang van het leven. De aarde is te groot, de storm vraagt of hij meegaat, dieren praten niet, planten staan domweg op uit hun zaad.

Waarom doet de mens dan zo moeilijk?

Aarde, geliefde, jij mijn vele uren
van vroeger en ook nu, aarde: zottin,
plezier, spelen, feest, angst dood, rouw – ònzin
(al denk je anders), seconde van duren

(al dènk je anders), – maar jij, jij denkt niet;
die op je wonen, ze doen nog alsof:
stof zeggen ze, ha stof, wat is dat: stof?
en ze zijn stof. Ze vallen uit het lied.

Aarde, ach toch mijn ellips van geluk.
Wat zeggen de dieren? Ze zeggen haast alles.
Wat zeggen de planten? Ze leggen haast alles

Niet uit; ze staan domweg op uit hun zaad.
Maar de storm, de storm waarvoor ik mij buk?
Ik vraag alleen, zegt de storm, of je meegaat.

Hans Andreus
Uit: Sonnetten van de kleine waanzin. Holland, Haarlem 1971

Meer gedichten over dit thema vind je bij Gedichten over sterven, afscheid en verder gaan.

Wil je vrijblijvend kennis maken en horen wat ik voor je kan betekenen als jij afscheid moet nemen van een dierbare? Neem dan contact op via het contactformulier.

Comments are closed.