Erbarme Dich

Op Stille Donderdag ben ik bij de presentatie van het boek Slotcouplet van Sander de Hosson, op Goede Vrijdag bij de Matthäus Passion. Twee verhalen die zich vermengen, botsen en schuren in een innerlijk debat.

Een column van Bert Keizer heeft het debat in mij op scherp gezet. Hij plaatst het streven van Sander de Hosson in een traditie van vergeefs getob, als ‘propjes gooien tegen een moloch’. Sander De Hosson als een soort Jezusfiguur die aan een hopeloze missie bezig is (maar hopen staat vrij, dat dan weer wel).
Is het lot van boeken als Slotcouplet hetzelfde als dat van de Matthäus, jaarlijks opgevoerd als moment van inkeer – waarna niemand meer verwacht dat dit de wereld zal veranderen? Dat valt nog te bezien.

Tussen de koralen en recitatieven verschijnt Sander de Hosson in zijn witte jas. Zijn lied klinkt anders. Hij is geen Jezus, geen evangelist, hij zingt in het koor. Hij ziet stervelingen worstelen zoals Jezus. Met de dood bedreigd, snakkend naar verbinding, gemangeld in systemen van verdeelde verantwoordelijkheden, zodat niemand helemaal verantwoordelijk is.

Dit hoor ik als ik luister.

Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen

Kom hier klagen dochters, bij een arts die weet hoe het is om als zoon een moeder te verliezen. Een arts die dat tot grondleggende ervaring voor zijn eigen optreden durft te maken. En die het op zijn muur heeft gezet: Guérir parfois, soulager souvent, consoler toujours. Soms genezen, vaak verzachten, altijd troosten. Een arts die durft te huilen als hij in één van de dochters een clubgenoot herkent als zij afscheid moet nemen van haar moeder.

Sehet wen – den Bräutigam

Kijk: de bruidegom. Hij is net 32 jaar en doodziek.

De man zit weggedraaid aan zijn tafel en heeft zijn handen voor zijn ogen geslagen. Hij is zichtbaar benauwd, zijn lichaam beweegt bij elke ademteug. Ik kijk naar zijn gebogen rug en tel zijn ademfrequentie: 30 à 35 keer per minuut.

Zijn vriendin vraagt of het nog kan, trouwen.
Deze man is stervende. De Hosson laat hem niet als een lam naar de slachtbank gaan. Hij pakt de telefoon en regelt een huwelijk. Wat kan er veel als artsen, verpleegkundigen, ambtenaren en facilitair medewerkers samenwerken en een huwelijksvoltrekking voor twee mensenkinderen regelen in nog geen vijftig minuten.

Blute nur, du liebes Herz

Een jonge moeder kiest om haar lijden te verlengen, omdat het de enige kans is om haar leven te verlengen. Zelfs als die kans wankel is en de uitkomst ongewis.

Dan pakt ze haar telefoon en laat foto’s van een vakantie in een warm land zien. Ze stopt bij een waarop haar twee kleine dochtertjes in zomerse jurkjes op haar schoot zitten. De meisjes kijken me vrolijk aan. Ze vervolgt: “Elke extra dag dat ik ben hen ben, is voor mij pure winst. Daar heb ik elke godvergeten bijwerking voor over. Elke extra dag. Dat is voor mij kwaliteit van leven.” (…)
Ik denk aan al die colleges ethiek en medische besluitvorming, toen de theorie nog zo lekker zwart-wit leek. Ik ken alle theoretische overwegingen die nu van toepassing zijn, maar wat staat de ethiek op scherp als elke keuze onmogelijk is. Als je in de ogen van een jonge moeder kijkt die binnen enkele maanden, misschien wel weken of minder, zal sterven.

En dan erkennen dat ook dit kwaliteit van leven kan zijn. En de wens met een al je kunde steunen, met bloedend hart.

Von dir will ich nicht gehen, wenn dir dein Herze bricht

Soms is het een vroom voornemen: een patiënt bijstaan in de laatste uren. Maar het leven neemt zijn loop en de hektiek van de dag dreigt de patiënt over het randje van je aandacht te duwen. Dan ligt er een oude, eenzame man op je afdeling te sterven.

Ik praat met [de verpleegkundige] over zijn angst dat er niemand meer komt om afscheid te nemen, dat hij alleen zal sterven daar in dat ziekenhuiskamertje De verpleegkundige van de avond heeft de verantwoordelijkheid voor tien zieke patiënten, dus er zal nauwelijks tijd voor hem zijn. (…) Als ik uren later door de donkere gang loop, hoor ik tot mijn verbazing in de verte een prachtig zuiver geluid. Het lijkt alsof iemand zingt. Ik werp een blik in de kamer. In het gedimde licht ontwaar ik dezelfde verpleegkundige van vanmiddag, die allang thuis had moeten zijn. Gebogen zit ze aan het hoofdeinde, haar hand ligt om de zijne. De oude man is diep in slaap en ademt nauwelijks meer. Het is duidelijk dat het zijn laatste momenten zijn. Ze kijkt strak naar hem en neuriet zacht een liedje, waarvan ik de tekst niet goed kan horen.

En dan aanvaarden dat je het niet alleen hoeft te doen. Dat zorgzaamheid besmettelijk is.

Zertrümmre, verderbe, verschlinge, zerschelle mit plötzlicher Wut
den falschen Verräter, das mördrische Blut.

Kon het maar, in elkaar trappen, kapot maken, verslinden. De meedogenloosheid van kanker. Sander noemt het de natuur die zich op een gruwelijke manier laat zien.

De laatste weken is hij erg benauwd. Hij kan niet meer liggen, omdat hij dan het gevoel krijgt te stikken. Dit komt door de talrijke uitzaaiingen in zijn hartzakje, die ervoor zorgen dat een fatsoenlijke terugstroom van bloed naar het hart onmogelijk is. Fatsoen, een woord dat in het vocabulaire van kanker ontbreekt.

Terugvechten kan niet met gelijke wapens. Daar gaat de patiënt kapot aan.
Wel met eerlijkheid.

We moeten vooral eerlijk zijn. Wat valt er te behandelen als een ziekte zich als een waanzinnige gedraagt, als de toch al zo oneerlijk spelregels op zo’n brute wijze worden aangepast en de tentakels van kanker binnen nog geen twee weken vat krijgen op alles wat telt? (…)
“Hij gaat dood he? Hij gaat snel dood, heel snel toch?” Ik krimp ineen onder haar blik. Wat kan ik zeggen? Hier passen geen woorden over standaardbehandelingen, geen hoopvolle beloften over nieuwe medische procedures. In deze situatie zal elke tumorgerichte behandeling het leed alleen maar groter maken. Op totale krankzinnigheid is geen antwoord. Ik kan niets anders uitbrengen dan een bevestiging. “Ja… ja” stamel ik. “Hij gaat dood”.
“Dan wil ik naar huis,” zegt hij bijna emotieloos. “Dan wil ik naar huis om daar te sterven.”

En dan pleiten voor een ander gevecht: een gevecht om waardig te sterven. Daar is nog zoveel te winnen.

Ich bin unschuldig an dem Blut dieses Gerechten, sehet ihr zu

Onze maatschappij maakt van vele beroepsboefenaren Pilatussen die precies doen wat er van hen (ons, mij) verwacht wordt. Niet uit boosaardigheid. Maar uit de neiging om niet verder te kijken. Veilig in de eigen beperkte bevoegdheden. Het vinkje staat er, de regels zijn nu eenmaal zo, helaas is daar niets aan te doen.

Een notaris vraagt niet door bij het opstellen van een levenstestament, zodat een dochter en een zoon tegenover elkaar komen te staan bij het sterfbed van hun vader. Wel reanimeren, met desastreuze gevolgen, of niet, en de wilsverklaring van de vader passeren?

Wat houdt de zoon van zijn vader. Wat vindt hij het belangrijk dat diens wensen worden ingewilligd. Terecht. Maar ook ziet hij hoe zijn vader zal lijden als dat uiteindelijk gebeurt. Schuldgevoel gegarandeerd.
Ook de dochter houdt zielsveel van haar vader. Wat vindt zij het belangrijk dat hij niet zal lijden. Wat vindt ze het belangrijk dat er niet meer gereanimeerd moet worden, mocht die situatie voorvallen. Terecht. Maar ook zij ziet dat zij daarmee niet de wensen van haar vader zal inwilligen. Schuldgevoel gegarandeerd.
(…) Als ik wegloop, denk ik terug aan het notariskantoor; met goede uitleg was deze discussie tussen broer en zus niet nodig geweest. Ik denk (…) aan het gesprek dat daar níet plaatsvond. De woorden die níet vielen toen die ene vraag gesteld werd.

Op dit verhaal volgt een oproep. Om niet zomaar vinkjes te zetten, maar eerst te vragen of er een gesprek over de implicaties van medische keuzen is geweest. Zodat de cliënten van de notaris en de patiënten van de dokter samenkomen in de vaders, moeders, geliefden, om wie het gaat. En hun levenseinde.

Wenn ich einmal soll scheiden, so scheide nicht von mir

“In de bus?” vraag ik. Mijn antwoord moet nogal verbouwereerd geklonken hebben toen ik de verpleegkundige van de avond vroeg waar zijn echtgenote bleef. We zitten samen om het bed van een ruim tachtigjarige man die onze aanwezigheid vermoedelijk allang niet meer opmerkt. (…) We hebben onze handen om de zijne geslagen. Hij is stervende.
Terwijl we op haar wachten, sterft hij ineens, tussen ons in, gewoon van het ene op het andere moment. Alsof het niets is. (…)
Bij de entree van de verpleegafdeling vertel haar nog geen twintig minuten later dat hij dood is. (…) Ze kijkt me strak aan. “Stierf hij alleen?” Deze vraag had ik verwacht. Het is een belangrijke. “Nee”, zeg ik. “Nee. We waren bij hem. Hij was niet alleen. Hij is niet alleen gestorven. Wij hielden hem vast.” “Dank,” zegt ze, en er verschijnt een glimlach op haar gezicht. Dan steekt ze haar handen uit naar de verpleegkundige en naar mij. Terwijl ze in onze handen knijpt, fluistert ze: “Dank. U weet niet half wat dat voor mij betekent.”

Wir setzen uns mit Tränen nieder

De coassistent wenkt mij met een betraand gezicht. Samen lopen we weg. We huilen, op de gang. Dat mag als professional natuurlijk vast niet, maar het interesseert ons geen fluit.

De Bräutigam is getrouwd.

Als het avond is, zien we door de ramen de zon langzaam achter de bomen zakken. In het zachtoranje schijnsel staat ze naast hem. Hij zit, heftig benauwd maar intens gelukkig. Hun handen zijn in elkaar gevouwen. Het maakt op alle aanwezigen in de ruimte een niet meer uit te wissen indruk. In de enkele maanden van zijn ziekte hebben deze twee mensen een indrukwekkend punt van eenwording bereikt. Vol kracht en liefde stemmen ze in met de huwelijksbelofte en zweren ze trouw tot ver, ver na zijn dood. Aan het einde van zijn leven rest niets meer dan liefde. (…) diezelfde nacht overlijdt hij. Aan tafel, maar naast zijn vrouw.

Slotcouplet

Sander de Hosson zingt een partij die in de Matthäus Passion niet bestaat. Hij zingt meer dan een melodieus, maar machteloos commentaar. Hij wordt niet een Jezusfiguur, kansloos terzijde geschoven door een onverschillig systeem dat iedereen boven het hoofd is gegroeid. Hij wordt geen boetvaardige zondaar die verlossing uit dat systeem alleen nog van goddelijk ingrijpen verwacht.

Hij grijpt zelf in.
Uit naam van de menselijke maat.

De menselijke maat, dat is meer dan een propje tegen een moloch. Het is iets totaal anders. Slotcouplet roept op tot een andere passie. De vijand is niet de dood. De vijand is niet het systeem dat is opgetuigd om tegen de dood te vechten. Even gewelddadig, vermorzelend en verslindend als de dood, maar niet de vijand. De vijand is je eigen angst om stervenden in de ogen te kijken.

De basso continuo in Slotcouplet is een simpele vraag: Jij gaat dood. Durf je een sterveling te zijn?

Durf je uit je verschansing te komen?
En dan met al je professionaliteit en alles wat je bij je hebt, je kennis, je instrumentarium, je immunotherapie, desnoods twitter en de telefoon, je menselijkheid en je nabijheid, antwoord te geven op de oproep van elke sterveling die jou in handen valt:

Erbarme dich.

Geef een reactie