Dromen van een Antje

Dromen van een Antje

In het kader van een opdracht voor twee Palliantieprojecten over mantelzorg ga ik naar de Mantelzorgmonologen. Ik kom in een stadje in het Oosten des lands waar Wietske Dekkers van Ceder trainingen het programma begeleidt.

De zaal: vol beroepskrachten. Uit de thuiszorg. GGZ. Wijkteams. Huisartspraktijken.
Het podium: vrijwel leeg.

Drie krukjes. Daarop Lars, de broer van Mark, wiens autisme het gezinsleven behoorlijk bepaalt; Joanna, de moeder van hoogsensitieve Rik, die met meervoudige beperkingen en diabetes de nodige zorg behoeft, en Maria, getrouwd met Hein, die langzaam maar zeker wegglijdt in dementie.

Mark, Rik en Hein zijn er niet, maar ze doordringen alles.
“Half 6. De wekker gaat. Het rustigste moment van de dag.” begint Joanna. Maria ligt te luisteren of ze Hein al hoort, maar ze “kan nog even”. Echt rustig is dat niet, met één oor gespitst in bed blijven, maar, “flink wezen”, de dag kan nog mooi worden. En Lars moet eruit als Mark een woedeaanval krijgt, want dan kan hij nog wel eens iets vernielen.

“Ik wist niet eens dat het mantelzorg heette, wat ik doe” zegt Joanna. “Hij is gewoon mijn broer” zegt Lars. “In voor- en tegenspoed.” zegt Maria. Dat dóe je gewoon.

Gewoon.
Gewoon.
Maar het is ook gewoon heel zwaar.

Heus niet altijd door de zorg, hoor. Maar door de regels. Leg maar eens uit waarom een voor jou bedacht respijtzorgarrangement niet past. Want dan ligt het aan jou.

Dan trekken de professionals conclusies. “Ze wil gewoon niet, he.” “Nee, ze kan hem gewoon niet loslaten.” “Het gaat om de vraag ònder de vraag: wie is zij nog als ze niet voor hem zorgt?” Het soort gesprekken dat Marian Verkerk in haar bijdrage aan het VPTZcongres van december 2017 ‘professionele roddel’ noemde: het onderling bespreken van de meest kwetsbare details uit het leven van zorgvragers. Een akelig randje aan de goede bedoelingen.

Die goede bedoelingen. Lars, Joanna en Maria stikken er bijna in. Dat ongevraagde advies, dat net te dicht bij komen zonder iets aan te bieden. De dooddoeners. Want ja, “Je moet ook de mooie momenten tellen, hoor.” “En elke dag drie dingen opschrijven waar je dankbaar voor bent.” “En vooral vragen wat je nodig hebt, he?” “En ook duidelijk je grenzen aangeven!” En “Waarom doe je hem niet gewoon in een instelling?”

Gewoon.

Maria droomt hardop over een Antje die al die formulieren voor haar invult, omdat het steeds maar mis gaat en ze de hulp nú nodig heeft. Joanna over een Antje die al die telefoontjes van haar overneemt: omdat er altijd wel een regeling is die net níet op Rik van toepassing is. En Lars wenst een Antje die de docenten op school voor eens en altijd vertelt waarom hij soms te laat komt of een toets niet kan maken, zodat hij dat niet steeds, en steeds, en steeds weer opnieuw moet vertellen.

Dromen van een Antje.
Iemand die de drempels wegneemt, de schotten neerhaalt, de indicatievoorwaarden doorgrondt, de grenzen slecht. Wat een verademing zou die Antje zijn.

Dromen mag. Toch?
Stel je voor, zegt Wietske na het stuk. We zijn twee jaar verder. Deze gemeente is als eerste in Nederland geheel en al mantelzorgvriendelijk geworden. De camera’s van de NOS rollen binnen. Wat komt er in het nieuws?

Het publiek weet het wel. Er zijn buurtteams vanuit alle zorgdisciplines die samenwerken. Ze stellen gezamenlijk een logische route op voor de zorgverlening. Ruimte voor gesprekken met mantelzorgers wordt gewoon in de indicatiestelling meegenomen, zodat het ook verantwoord wordt. Als een mantelzorger aangeeft, zorg nodig te hebben, wordt hij of zij gewoon geloofd en serieus genomen. Want mantelzorgers trekken over het algemeen laat, te laat, aan de bel. Werkgevers geven mantelzorgers de ruimte, als eerste op het gemeentehuis.

Dromen mag.
Wensen mag.
Dromen en wensen waarmaken ook.
Gewoon.
Omdat een zichzelf respecterende samenleving goed zorgt voor mensen die zorg nodig hebben en voor de mensen die hun naasten die zorg bieden. In voor- en tegenspoed.

Meer informatie over de Mantelzorgmonologen van Ceder Trainingen vind je hier.

Geef een reactie