Doodgeboren. Een geschiedenis van rouw

De stilte kondigde de dood aan. Geen beweging, geen geboortekreet. Geen naam. Een stil kind dat op onaanraakbare afstand werd gehouden en zo snel mogelijk werd ‘opgeruimd’. Een kind waarvan je zou zeggen: “Dat telt niet.”
Dat was in de jaren 50 en 60.

Lange tijd is die stilte gebleven, als opgedrongen metgezel van moeders zonder kind.
Jan Bleyen vraagt ouders van een doodgeboren kind om het stilzwijgen te doorbreken. In Doodgeboren. Een mondelinge geschiedenis van rouw doet hij verslag.

Persoonlijke verhalen, haperend, vragend. Ouders die zo goed en zo kwaad als het ging, hebben leren leven rond die stille, lege plek. Aangrijpende verhalen levert dat op.
Over een vrouw die met haar lege buik op een gewone verpleegafdeling wordt gelegd, een man die opdracht krijgt om het wiegje maar vast op te ruimen voordat zijn vrouw thuiskomt. Maar ook over een geboortekaartje dat na jaren alsnog wordt verstuurd, een dochtertje dat alsnog met haar naam in het trouwboekje wordt bijgeschreven, een grafje dat wordt opgespoord.

Jan Bleyen doet meer. Hij ondervraagt ook ouders van overleden kinderen uit het heden. Hij reflecteert op antwoorden, tekent contrasten tussen vroeger en nu, en bespiegelt op moderne opvattingen van rouw.
Een doodgeboren kind telt nu wel. Het wordt verwelkomd en genoemd. Een moeder vertelt hoe fijn het was dat de verpleegkundigen het consequent over ‘Jasper’ hadden, zodat hij, hoewel hij niet meer leefde, toch een eigen bestaan had. Zij maakt regelmatig een foto van de kleine paddenstoel waarin zijn as rust. Zo wordt de paddenstoel ingebed in haar levensverhaal en het verhaal van haar gezin.
Deze veranderingen hebben niet alleen te maken met andere opvattingen over rouw, maar ook met de beschikbaarheid van nieuwe technologieën. Je zou kunnen zeggen dat ze in elkaar grijpen en een nieuwe vorm van ‘leven met’ mogelijk maken.

De verhalen uit Doodgeboren laten de invloed van techniek zien op de geleefde ervaring, op het gebied van emoties en spiritualiteit. De vrouw die het wiegje mist bij thuiskomst, kan er niets voor in de plaats zetten. Al de tijd dat ze zwanger was, kon ze zich slechts een vage voorstelling maken van haar kind. En als het haar na de geboorte niet is toegestaan haar kind te zien, blijft het bij die vage voorstelling. Ouders van een overleden baby in deze tijd hebben minstens een echoscopie om te koesteren en aan andere mensen te laten zien. Ook daardoor is hun kind veel meer aanwezig.

In zijn oratie ‘Heracliteïsche ethiek. Omgaan met de soft impacts van technologie’ beschrijft Tsjalling Swierstra hoe technologie ons, de wereld om ons heen, en onze omgang met de wereld beïnvloedt. Hij betrekt deze invloeden vooral op de ethiek: hoe we onszelf zien, wat we denken te kunnen, maar ook hoe we de wereld zien en hoe veel greep we op die wereld menen te hebben.

Doet technologie ook iets met rouw? Ja, kun je zien in de verhalen. Rouw wordt uitgesteld en verandert van karakter.
In de jaren 50 en 60 werden vrouwen aangespoord om hun energie op aanvaarding te richten, dichter naar God toe te groeien. Ze werden aangemoedigd hun kind te beschouwen als een bloem, te schoon om op aarde te blijven, of als een engel. Als technologie het mogelijk maakt de doodsoorzaak van een baby vast te stellen, gaat de energie eerst daarnaartoe. Een autopsie, een bloedonderzoek, een verklaring voor het hoe en wanneer. Daardoor ontstaat een bijna morele verplichting om de oorzaak tot op de vezel te laten uitzoeken.
Maar dan nog steeds is daar die lege plek.

Subtieler dan via concrete technologieën zie je de invloed van denken-in-termen-van-technologie in een maakbaarheidsgedachte. Rouw verschijnt in Bleyens boek als een lineair proces van fasen of taken, uitmondend in een welomschreven einddoel. Bleyen schrijft: “Rouwarbeid, een concept uit de psychologie, verbeeldt rouw als iets wat je zelf controleert: als je maar hard genoeg werkt, zal je beloond worden met een product, als je maar moeite doet zal de rouw na een tijd wel verwerkt zijn.” (156)
Dan kom je er sterker uit. Je hebt de taken volbracht, je toont dus aan dat je ‘normaal’ bent. Maar deze opvatting van rouw (of een model van verschillende taken die een rouwende moet verrichten) ligt onder vuur. Critici van het takenmodel wijzen erop: “… hoe grillig en voor een groot deel onderbewust een rouwproces kan verlopen: bijvoorbeeld als een achtbaan, of een reis met allerlei obstakels, rare wendingen en treuzelmomenten. In deze visie bestaat het bezig zijn met rouw dus veeleer uit een beweging.” (113)

Als het om rouw gaat, helpt het denken-in-termen-van-technologie niet. Niet dat de vrouwen uit de vorige eeuw niet meer regie hadden willen hebben. Vrijwel allemaal uiten ze die wens: zeggenschap over het lot van hun kind, over hun eigen lot. Maar niet om hun rouwproces te ‘managen’: eerder om hun levensverhaal compleet te maken. Hun beweging in het rouwlandschap is spiritueel, het gaat om zingeving.

Ik zou die beweging willen omschrijven als binnenhalen. Een overleden kind binnenhalen in je levensverhaal. De moeders van overleden kinderen uit de jaren 50 en 60 deden dat pas na jaren. Soms met een bijna politieke daad: het opeisen van het recht een levenloos kind in het trouwboekje bij te laten schrijven, het opeisen van inzage in het overledenenregister van het ziekenhuis om het grafje te kunnen vinden. Dat hoeft nu niet meer. Het binnenhalen gaat geleidelijk en is persoonlijk: de foto’s van Jaspers paddenstoel, een huisaltaartje met foto, kruisje of kaars.
Van verzwijgen naar herinneren, van transcendentie naar immanentie, en van afstand naar intimiteit. Die bewegingen ziet Bleyen in de gestalten van rouwprocessen en in het denken erover. Bewegingen die rouw, betekenisgeving en levensverhalen veranderd hebben.

Weinig mensen zullen terug willen naar de stilte en afstand van de vorige eeuw. Toch vraagt Jan Bleyen of we ons realiseren dat we zelf ook niet bepaald vrij zijn, gebonden als we zijn aan het psychologisch discours van zelfverbetering. Niet alleen in dat productgerichte rouwproces, ook in het omgaan met onmogelijkheden, in het duiden van de dood van oude mensen en jonge kinderen. Wat mij betreft de belangrijkste vraag die hij met zijn doordachte en doorvoelde boek heeft opgeworpen.

Literatuur:
Bleyen, Jan: Doodgeboren. Een mondelinge geschiedenis van rouw. De Bezige bij, Amsterdam, 2012
Swierstra, Tsjalling: Heracliteïsche ethiek. Omgaan met de soft impacts van technologie. Oratie. Maastricht University, 2011.

Op 8 maart 2014 is in Steenwijk een monument voor doodgeboren kinderen onthuld.

Comments are closed.