De cactusman en de trapschreeuwer

Eén van de bijtendste scènes over voltooid leven die ik ken, komt uit de film Mar Adentro. Ramon, een vijftiger, vanaf zijn 17e op bed met een dwarslaesie, heeft een euthanasieverzoek gedaan. Een pater, ook met een dwarslaesie, komt naar zijn huis om hem daarvan te weerhouden, maar blijft met rolstoel en al steken in het trappenhuis dat naar de ziekenkamer leidt. Eerst stuurt de pater een jonge assistent naar boven om Ramon van zijn opvattingen op de hoogte te brengen, maar Ramon zoekt de dialoog. Vanuit bed en trappenhuis roepen Ramon en de pater elkaar het één en ander toe.

Impotenter dan dit kun je het niet krijgen.
Eenduidiger ook niet.
De twee scheidslijnen in de film lagen comfortabel op dezelfde plek: de ene tussen een respectvolle en een respectloze en bejegening en de andere tussen ‘de dood brengen’ en ‘het leven in stand houden’. Was het maar zo simpel.

Het is vaak veel minder eenduidig. En veel minder comfortabel, ondervond ik bij de kennismaking met Werner, een stervende man – of wat er van hem over was. Hij kwam bij ons in het hospice, sterk vermagerd, zijn benen geamputeerd wegens diabetes, lijdend aan hartfalen, gebrouilleerd met zijn familie, afwijzend jegens zijn ex-vrouw en jegens iedereen die in zijn richting kwam. Elke toenadering deed pijn. En dat liet hij je voelen ook.

Als een cactus met de stekels naar binnen gekeerd zat hij zijn laatste weken uit. Hij had ettelijke pogingen achter de rug om zelf een einde aan zijn leven te maken, hoorde ik in de overdracht. Alle mislukt. Telkens werd hij gevonden door iemand. Telkens schakelde die dan weer zorg in, en telkens werd zijn lijden verlengd. Over zijn dood zei hij alleen: “Bel de gemeentereiniging maar, dan kan de hele rotzooi mee.”

Er kwam geen trapschreeuwer met impotente stellingnames zijn lijden verlengen. Wij kwamen. Vrijwilligers in het hospice. Met aandacht die bijna als opdringerig voelde in de nadagen van zijn cactusbestaan.

Het kostte me even om te leren dat ‘veilig’ voor hem vooral ‘veilige afstand’ betekende. Maar ik merkte wel dat hij opleefde als hij kon vertellen over zijn werk. Grootscheepse ICT-projecten bij internationaal opererende organisaties. Eén technische vraag was genoeg om een exposé te ontketenen. Toen ik hem vroeg of ik hem een hand mocht geven om één handdruk van Bill Gates af te staan, glimlachte hij voor het eerst. Die handdruk kwam. Tussen de stekels door, heel voorzichtig, en vooral niet te lang.

Ik weet niet hoe het kwam dat hij zich opende, maar hij deed het.
In de laatste weken zocht hij contact met zijn ex-vrouw en zijn familie. Hij regelde zijn uitvaart. Ik wist niet wat ik zag. En vooral niet wie ik zag.

Eén vraag hield me bezig: waarom Werner zijn toevlucht nam tot hulpeloze pogingen om een einde aan zijn leven te maken, terwijl hij gezien zijn staat van lijden voor euthanasie in aanmerking kwam. Waarom vroeg hij daar niet om?
Ik vroeg het hem niet. Niet na al die voorzichtige toenaderingen en al die flauwe, snel vervagende glimpjes van leven. En al helemaal niet meer toen ik hem had gezien met zijn ex-vrouw in de tuin. Zo’n vraag zou hem terugtrappen in zijn stekelbestaan.

Ik moest toegeven dat de lijnen voor mij toch wel comfortabel lagen omdat hij niet om euthanasie vroeg. Het bespaarde mij een moeizame overweging. Wilde ik dan per se dat het leven voor hem zinvol was? En wie was ik dan helemaal om hem een zogenaamd zinvol bestaan op te dringen? Stel dat Werner met die pogingen inderdaad de klassieke schreeuw om hulp liet horen, dan was onze opgedrongen aandacht het goede antwoord. Maar stel dat het niet zo was. Dan wordt het meteen minder comfortabel.

Hoe oncomfortabel en onoverzichtelijk kan ik het maken voor mijzelf? Door me voor te stellen dat ik een lijdende persoon tegenkom die geen klassieke schreeuw om hulp laat horen, maar een onmiskenbaar weloverwogen verzoek tot hulp bij zelfdoding. Iemand die aandacht of goedbedoelde toenadering ervaart als opgedrongen plicht tot leven. Iemand die zo diep depressief is, zo lijdt aan het leven dat een einde aan het lijden ook een einde aan het leven is. Wie ben ik dan om die persoon een zogenaamd zinvol bestaan op te dringen? Ik weet het niet. Misschien kan ik dat pas bepalen als de situatie zich voordoet, omdat ik pas dan het hele verhaal en de hele persoon leer kennen.

Ik houd mijn hart vast. En niet voor mijzelf.

*Werner heette in werkelijkheid anders.

Geef een reactie