Begraven op Eikenduinen deel 4: evolutie en revolutie

In de voorafgaande blogs beschreef ik hoe Eikenduinen in de Opstand terecht komt en daar uitkomt als een kaal terrein waarin niemand veel interesse heeft, totdat katholieken het langzaam maar zeker zijn oude kleur teruggeven. Het monopolie van de kerk op het dodenbeheer brokkelt verder af. Niet alleen door de Franse Revolutie, al schudt die de verhoudingen flink op. Maar ook door een ander, veel langzamer proces waarin de dood deel wordt van een nieuw, umgestülpt verhaal.

Dromen van een eigen kerkhof

In 1744 hebben we Eikenduinen achtergelaten als een ‘schuilkerkhof’ met opgroeiende jonge bomen. Als we er terugkeren rond 1780 zijn die bomen flink gegroeid en zijn er graven bijgekomen, voornamelijk van katholieken. Maar het is geen voluit katholiek kerkhof meer: de grond is ontwijd en rituelen bij het graf zijn verboden. Bij gebrek aan beter strooien pastoors een handje  gewijde aarde op de kisten. Een schrale toestand. En dat terwijl joden in 1694 een eigen begraafplaats hebben gekregen en Lutheranen in 1707. Toch hebben Haagse katholieken met Eikenduinen meer dan hun kerkgenoten elders: die moeten tevreden zijn met een afgeschermd gedeelte op protestants terrein, of zelfs dat niet eens.

De ecclesia catholica in de storm

De Franse Revolutie van 1789 stelt de Haagse katholieken voor een dilemma. Ze voelen zich nog altijd meer verbonden met de ecclesia catholica, de wereldwijde kerk, dan met de plek waar ze wonen. De onaantastbare positie van de katholieke kerk in Frankrijk is een houvast in hun Haagse schaduwbestaan, totdat…

… men den koning onthoofd, het heidendom tot eeredienst van staat uitgeroepen, den Paus gevangen genomen en de katholieke geestelijkheid of vermoord, of gekerkerd, of op de vlugt gedreven had.

Maar dezelfde beweging die hun broeders in Frankrijk vernedert, levert hen godsdienstvrijheid op:

Het stelsel van uitsluiting werd opgeheven, de vrijheid van godsdienst tot wet verklaard, de reeks plakaten en resolutiën tegen de katholieken afgeschaft. Het moet den katholieken geweest zijn, alsof zij uit een droom ontwaakten, ’t is waar de godsdienstplegtigheden werden binnen de muren der kerk besloten, maar die vrijheid zelfs hadden onze voorouders tot dan toe niet gekend. De heerschende staatskerk was vervallen en het gouvernement verleende gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen.

Die gelijke bescherming zal voor hun begraafpraktijk nog grote gevolgen hebben.

Hygiëne

De Franse Revolutie is een politieke strijd tegen het monopolie van de kerk over het beheer van levenden en doden. Een ander proces dat al ruim een eeuw op stoom is, raakt hiermee verbonden. Minder frontaal en met minder kabaal, maar doortastend en met een air van onvermijdelijkheid. De dood schuift op van een verhaal over de goddelijke voorzienigheid naar een verhaal over natuurlijke oorzaken en gevolgen. Artsen nemen een plaats in naast priesters en dominees. Samen staan ze onder een umgestülpte hemel: een hemel van waaruit God de wereld, met natuurwetten en al, in handen geeft van de mensen, die haar met hun rationele vermogens ontrafelen.

Dode lichamen krijgen een nieuwe toepassing. Ze worden nuttig gebruikt in anatomisch onderzoek; denk bijvoorbeeld aan Rembrandts schilderij van Nicolaes Tulp. Maar let wel, het zijn dode lichamen van veroordeelde ‘misdadigers’, ‘onwaardige’ doden, en in sommige Europese landen ook doden uit het armenhuis. Het eeuwenoude idee ‘alle mensen zijn gelijk in de dood’ wordt in elke cultuurfase weer op een nieuwe manier gelogenstraft. Kon je als arme sloeber nooit rekenen op een plekje dicht bij het altaar, nu wordt je lichaam nuttig gebruikt in medisch onderzoek.

De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp, door Rembrandt van Rijn, 1632

Miasma

Kennis uit anatomisch onderzoek en inzicht in ziekten en ziekteverwekkers groeit. Hygiënemaatregelen voorkomen dat ziekten zich verspreiden, inentingen voorkomen het optreden van ziekten. De leven vóór de dood kan beschermd worden. Waarom zou je het noodlot aanvaarden als je er ook rationeel op kunt ingrijpen? En vanzelf richten de ogen (en neuzen!) van hervormers zich op de begraafpraktijk.

Kerken die eeuwenlang doden hebben geherbergd en begraafplaatsen die eeuwenlang zijn geschud om meer doden te kunnen herbergen, naderen hun uiterste houdbaarheidsdatum. Ze worden nu als overbevolkte, smerige dodenpakhuizen beschouwd (beschrijvingen van de rotting en stank die opstijgt uit sommige slecht afgedekte zerken worden een genre op zichzelf). Ze zouden miasma, ‘kwade dampen’, uitstoten en de gezondheid van levenden in gevaar brengen. Een idee van Galenus, een geneeskundige uit de eerste eeuw. Niet geheel en al wat wij nu een rationeel idee zouden noemen; gedragen door een sterk taboe en inspelend op angst. Het gaat dan ook om iets anders: pogingen om het leven vóór de dood in beheer te nemen. De voor-christelijke scheiding tussen levenden en doden krijgt een nieuwe impuls Moeten doden wel tussen de levenden begraven worden?

Begraven? Niet in de kerk!

Het antwoord ‘nee’ is ouder dan je zou denken. De Schotse theoloog William Birnie schrijft al in 1606:

No one would think of burying a body in the Presence Chamber of a prince. How much worse, then, to do so in the Cabinet of God!

Niemand zou op het idee komen om een lichaam te begraven in de nabijheid van een vorst. Hoeveel erger is het dan om dat te doen in de Kamer van God!

Het lijkt op het argument van Hawksmoor om geen tempel, maar een tombe te bouwen voor de derde graaf van Carlisle. Doden horen niet bij iets groots, goddelijks of koninklijks.

Begraven? Niet in de stad!

De Duitse theoloog Johannes Valentina Andraea gaat verder. Hij schrijft in 1619 een christelijk Utopia, Christianopolis, waarin hij de begraafplaatsen tekent als ruime plaatsen buiten de stad:

De begraafplaats is zeer ruim en mooi, maar buiten de stad,
die zij beschouwen [als plek] voor de levenden. 

Zijn beschrijvingen laten zien dat het hem ongeveer om hetzelfde gaat: het is eerder symbolische (on-)reinheid dan hygiëne, waarom doden en levenden op afstand van elkaar moeten zijn. Maar daar komt verandering in.

De nieuwe, rationele omgang met hygiëne en besmetting komt tot uiting in geschriften en projecten van een aantal achttiende-eeuwse geleerden. Eén van hen, de jurist Abraham Perrenot, is zelfs gepromoveerd op hygiënisch begraven. In 1776 richt hij bij  Scheveningen begraafplaats Ter Navolging op. Hij bedoelt dit letterlijk als voorbeeld ter navolging en is er dan ook zelf begraven. Zijn grafschrift (dat na ruiming van zijn graf in een muur gemetseld is), luidt:

De gedenksteen van Abraham Perrenot in de muur van begraafplaats Ter Navolging.

Je ziet twee vormen van het werkwoord nocere: schaden. Dat is nieuw, maar ook heel oud: de dood als taboe. Doden spoken niet meer rond om levenden angst aan te jagen, zoals de voorchristelijke bewoners van Nederlanden geloofden, en hen daarom op afstand begroeven; maar ze maken de levenden ziek met hun vuile uitwasemingen. Ze mogen niet meer temidden van hen begraven worden.

De dood op afstand van de levenden

Napoleon grijpt de miasmatheorie aan om het begrafeniswezen te moderniseren, maar ook om in één moeite door de kerk haar monopoliepositie te ontnemen. Beide doelen komen samen in het Décret impérial sur les Sépultures an XII in 1804. Massagraven op kerkhoven zijn verboden. Ieder lichaam moet in een eigen graf worden begraven, met desgewenst een gedenkteken. Dat graf moet in elk geval 5 jaar met rust gelaten worden. Het beheer van de doden gaat over naar de staat. Gemeenten van 1000 inwoners of meer moeten een eigen begraafplaats hebben op 40 meter afstand van de bebouwde kom. Voor elk geloofsgenootschap moet apart ruimte zijn.

Décret impérial sur les Sépultures an XII

De dood komt op afstand van de levenden te staan.
In de ruimte: door begraafplaatsen buiten de bebouwde kom.
In de tijd: door medische onderzoeken en technieken die de dood uitstellen.
In de ervaring: doordat de dood niet meer ‘op elke straathoek’ is te zien.

Doorzettingsmacht

In Nederland is de scheiding tussen kerk en begraafplaats niet nieuw. Het Noorderkerkhof van 1714 is een voorbeeld (eigenlijk een begraafplaats zonder kerk nabij het Spaanse Hof). Begraafplaats Ter Navolging past ook helemaal in dit proces, maar Perrenot blijkt bij nader inzien ver voor de troepen uit te lopen. Willem I, de nieuwe koning van de Nederlanden, schort in 1813 het verbod op het begraven in de kerken wegens weerstand voorlopig op. De revolutionaire overrompelingstactiek die op veel fronten werkt, loopt vast in het jonge koninkrijk:

Tot zoo lange Wij dezen aangaande geen finaal besluit zullen genomen hebben, zal het aan een’ ieder vrij staan, de dooden in de kerken te doen begraven, volgens het oude gebruik, en tegen betaling der daartoe verordende regten, wordende mitsdien alle prohibitive bepalingen, welke deswegens in sommige gedeelte der vereenigde Nederlanden zijn ingevoerd, ingetrokken en buiten effect gesteld.

Het is me niet duidelijk geworden in hoeverre het oude verhaal van de verbinding van levenden en doden een factor in de weerstand is geweest. Wel zijn er organisatorische problemen gemeld, bijvoorbeeld van de gemeente Amsterdam. In 1829 worden de nieuwe regels uiteindelijk ingevoerd. Het zal tot 1869 duren voordat de nieuwe begrafeniswet wordt vastgesteld.

Eikenduinens unique selling point

Dan Eikenduinen. De ligging buiten de stad past prima in het hygiënisch dodenbeheer. Wat ooit een bezwaar was van kerkgangers en lijkdragers die geen pijp mochten opsteken, is nu een unique selling point geworden. En dan de bomen nog, en niet te vergeten de ruïne, waarmee het terrein naadloos aansluit bij de Arcadische trend. Kan het mooier?

Als je nu met Google earth op de begraafplaats kijkt kun je zien hoe groen het deel rond de ruïne nog altijd is.

De nieuwe eigenaar, wethouder H. M. Van der Goes, die het terrein in 1809 koopt, begint voortvarend. Hij voegt ten zuidwesten van de ruïne een nieuw protestants deel toe. Hij laat er grafkelders graven, richt koopgraven in aan de oost- en westkant en huurgraven aan de noord- en zuidkant; en laat daarmee de oude indeling los. Behalve dan in de prijzen van het katholieke deel: het koor is nog steeds de duurste plek.

Voor de katholieken is Van der Goes geen verbetering. Het lijkt erop dat het uitbaten van zijn terrein voor hem te belangrijk is om zich erg om levensbeschouwelijke of hygiënische kwesties te bekreunen. Bovendien staat hij als patriot en later staatsgezind Eerste Kamerlid, sympathiek tegenover de Franse Revolutie. Maar goed, de katholieken gaan met de nieuwe regelgeving hoe dan ook op zoek naar een eigen terrein. Het verlies van de Eikenduinse ruïne als vroomheidsmagneet nemen ze voor lief: de bedevaarten zijn al afgenomen en verliezen hun aantrekkingskracht. Bovendien worden ze niet meer uit religieuze motieven ondernomen, maar uit volksvroomheid. De grond rond de ruïne zou een geneeskrachtige werking hebben. Daar gaat het hen niet om, gelijkberechtiging en een eigen plaats zijn belangrijker.

In 1830, het jaar dat de nieuwe katholieke begraafplaats Sint Petrus Banden wordt ingewijd, sterft Van der Goes. De nieuwe eigenaar staat voor de uitdaging om in een wereld die diepgaand umgestülpt is een aantrekkelijk begraafterrein te maken.

Naar blog 1
Naar blog 2
Naar blog 3

Geef een reactie