Begraven op Eikenduinen deel 3: Lommerrijk landschap op komst

In de vorige blogs heb ik verteld over het ontstaan van Eikenduinen in de dertiende eeuw, en de invloed van de Reformatie op de kerk en het beheer van de doden. Na de aanvankelijke groei van het gebied als parochie, begraafplaats en bedevaartsoord, lijkt er niet meer van over dan een onbruikbaar terrein met een ruïne en wat houtwallen eromheen. Tenminste, dat is het officiële verhaal van de Staten van Holland. Maar zo gemakkelijk laat het verhaal zich niet beperken. Onder het officiële verhaal door duiken andere verhalen op. En zodra die worden doorverteld worden ze meer en meer waar.

1729: het einde van een armoedig wingewest

We beginnen deze episode in 1729, het jaar waarin de Staten van Holland de bomen rond Eikenduinen weer laten kappen (die bomen hadden ze in 1595 immers niet verkocht, om er om de zoveel jaar nog aan te kunnen verdienen). In 1730 verkopen ze het hout. Maar dat valt verkeerd bij de burgers van Den Haag. Eikenduinen is niet alleen maar een armoedig terrein waar nauwelijks iets meer te halen valt, of een plek waar de armen tijdens een epidemie en masse begraven kunnen worden. Het is ook die katholieke begraafplaats die mystiek uit het verleden ademt. En die mystiek laat zich niet weg-organiseren.

Drie jaar na de houtkap  wordt de priester van de Spaanse ambassadekapel, Domenico de Espinousa, op Eikenduinen in katholieke geuren en kleuren begraven. Sterker: de Spaanse koning betaalt de zangers en de kaarsen voor de plechtige Requiemmis die na de begrafenis in de Spaanse kapel wordt opgedragen. Natuurlijk beseffen ze dat er een zekere bescherming van de ambassade uitgaat: een ambassade is een vrijplaats van een andere staat. Maar dat dit kan, duidt er ook op dat de verhoudingen zich verder ontspannen. Dat blijkt ook uit de laatste zinnen van het verslag (dat tweehonderd jaar later verschijnt): Dat hij ook bij protestanten geliefd was vanwege zijn open ziel. Niet gering, gezien de positie van het katholieke geloof in deze tijd.

Illustratie uit het boek: De St. Teresia-Kerk, de koninklijke kapel van Spanje. Hare geschiedenis, in verband met de lotgevallen der katholieke godsdienst en de werkzaamheden der sociëteit van Jesus, in en om ’s Gravenhage, Geschetst door P. A. Bongaerts sj, Tot aandenken aan de feestelijke herinnering van den 25sten verjaardag harer inwijding, gevierd den 15den October 1866.

Eigendom van het gebied

Een factor van belang voor dit openlijke optreden van katholieken is het eigendom van Eikenduinen. Dat is in 1730 na vele wisselingen overgegaan in de handen van de katholieke broers Claasse van den Burgh. De broers zijn niet van plan om de ruïne af te breken of de bedevaarten te belemmeren, als die weer op gang komen. Zo kan Eikenduinen een katholiek eiland blijven in een omgeving die meer en meer protestant kleurt. Of dat zo kan blijven, is voorgoed afhankelijk van de welwillendheid van de eigenaren. En met deze broers zitten de katholieken goed.

En hoe zit het met het verdienmodel?

Al kleurt de hemel boven Eikenduinen protestants, de prijzen van de graven weerspiegelen het oude verhaal. De broers Claasse van den Burgh  vragen 6 gulden voor een plek in het voormalige koor, dus dichtbij de oude populaire plek van de reliek, 4 gulden voor een graf op het zuiden en 3 voor het noorden. De oude rangorde heeft overleefd. Is het omdat de broeders katholiek zijn? Is het omdat het verdienmodel zonder verwijzing naar oudere situaties gewoon in stand blijft? Tja. Geld stinkt niet. Ook niet op begraafplaatsen.

1729: bouwen aan een nieuwe era

1729 markeert niet alleen de laatste houtkap van Eikenduinen, maar ook het begin van een nieuwe manier om doden te herbergen. Dan begint de bouw van een mausoleum bij Howard Castle, in Yorkshire, Engeland. Het is geïnspireerd op een klassiek Romeinse tombe.
De opdrachtgever is de derde graaf van Carlisle, lid van de rijke elite die in de achttiende eeuw in Engeland is ontstaan. Rijk genoeg om niet te hoeven werken, vatbaar voor nieuwe trends, zoals de belangstelling voor de klassieke oudheid. Jonge mannen gaan op Grand Tour, vooral naar Italië, en nemen voorbeelden mee om hun huizen en landgoederen te verfraaien.

De derde graaf van Carlisle vraagt Nicholas Hawksmoor om een tombe voor hem te maken in de populaire Palladiostijl: een stijl die de natuur en de klassieke oudheid als uitgangspunt neemt. Hij moet weinig hebben van georganiseerde religie; zijn onsterfelijke ziel en het leven na de dood interesseert hem maar matig. Maar hij wil wel in het leven vóór de dood een nieuwe vorm van onsterfelijkheid bereiken: door een mooi gebouw naar klassiek voorbeeld aan de wereld na te laten. Eerst kiest hij een tempelvorm. Maar Hawksmoor wijst hem erop dat de Antieken hun doden echt niet in de buurt van een tempel begroeven. Dat doet hem beslissen om een mausoleum te laten bouwen en dat midden in een park te zetten. En hij heeft er geld voor over. Niet voor een uitvaart, wat op dat moment eigenlijk meer voor de hand ligt, maar wel voor een monument.

Het mausoleum vanuit de lucht gezien, ver van de woongebouwen verwijderd en omgeven door een muur.

Zijn vriend Vanbrugh schrijft hem over de hertog van Marlborough, die duizenden ponden wil besteden aan zijn uitvaart, maar ‘gewoon’ in de kapel van Blenheim begraven wil worden:

‘What a noble monument wou’d that have made, whereas this idle show, will be gone in half an hour, and forgot in two days.’

Eeuwigheid heeft niet meer zoveel te maken met die enorme tijd van het oude katholieke geloof. Het is voor de derde graaf van Carlisle ook niet verbonden met een leven na de dood. Eeuwigheid is in het leven vóór de dood terecht gekomen, in een gebouw dat de tand des tijds zal doorstaan.

Et in Arcadia Ego

De achttiende-eeuwse landschapstuinen die ontstaan op deze inspiratie, zijn oases van rust en schoonheid. Met hier en daar in het landschap een folly, een klassiek ogend tempeltje of een nepruïne die een antieke twist aan het landschap geeft. Oude verhalen over het land Arcadia, waar de herdersgod Pan woonde, inspireren dit nieuwe levensgevoel. Dat wil overigens niet zeggen dat de dood er geen plaats heeft. ‘Et in Arcadia ego’: zelfs in Arcadia ben ik (de dood), staat op een populair schilderij van Nicolas Poussin uit 1647. Want ondanks rijkdom en vooruitgang is de dood nog alom aanwezig in het leven. Ook rijke kinderen kunnen sterven aan de mazelen; een ontsteking of een bevalling kan nog altijd een dodelijke afloop hebben.

Et in Arcadia Ego, schilderij van Nicolas Poussing, 1647, Louvre, Parijs

Carlisle gaat niet het gevecht aan met de Church of England, maar schuift haar gewoon opzij. Dat is mogelijk omdat er al een lange traditie bestaat van privé-kapellen en privé-grafkamers voor de adel , die soms ook klassiek van vorm zijn; maar dan wel bij kerken en kerkhoven. Het is dus een relatief kleine stap om een privé-mausoleum te maken, maar een grote stap om dat op ongewijde privé-grond te doen. Als de derde graaf van Carlisle sterft in 1738, wordt hij in afwachting van het voltooien van zijn mausoleum begraven in een parochiekerk, maar later als het mausoleum klaar is, wordt hij daarin herbegraven. Op zijn graf wil hij een eenvoudig grafschrift zonder verwijzing naar een god of een leven na de dood:

‘Here lyes Charles the 3rd Earl of Carlisle of the Family of the Howards who built this house called Castle Howard & made the plantations that belong thereunto’

Daarmee is hij de eerste in eeuwen en eeuwen die de kerk in het beheer van doden en levenden passeert. En voorlopig ook de enige.

Van links naar rechts: de originele tombe van Caecilia Martella, 6 kilometer ten zuiden van Rome op de Via Appia, de inspiratie voor de tombe; de interpretatie ervan in het Howard Mausoleum uit 1745; één van de bekendste navolgingen van het Mausoleum, de Apollotempel in Stourhead uit 1765; en daarnaast een wat bescheidener vertaling van deze populaire vorm op Eikenduinen uit 1922.

Katholiek eiland

Terug naar Eikenduinen. Daar is de Engelse mentaliteit nog niet doorgedrongen, maar dat is een kwestie van tijd. In 1744 valt het doek voor de houtkap. Eikenduinen krijgt langzaam maar zeker de oude kleur van begraven en pelgrimeren terug. De Staten van Holland laten bedevaarten toe als ze geen gevaar vormen voor de openbare orde. Toch zijn ze er niet gerust op. In 1762 controleert drossaard H. Buddingh hoe het eraan toegaat op witte donderdag en goede vrijdag:

Op ordre van den Heer Fiskaal heb ik, ondergeschr., tot Eykenduynen informatie genomen wegen veele Roomsche menschen die, aldaer op Witten Donderdag en Goede Vrydag, zynde 8 en 9 April, op het kerkhoff zyn komen bidden. Den 8 April, zynde Witten Donderdag, heb ik bevonden, dat omtrent 40 personen, soo mans, vrouwen en kinderen dien dag zyn geweest, in verschydene partyen van twee, van drie van eene, op het gem. kerkhoff en hebben aldaer omgaen bidden, veele met paternosters en boeken in haere handen. (…)
Den 9 April heb ik weeder aldaer bevonden, zynde Goede Vrydag, dat op gem. Kerkhoff zijn geweest tusse de vier- en vyf hondert menschen, soo boeren als personen uyt den Hage, die met partyen vier, drie, ses, meer en minder op gem. Kerkhoff zyn geweest en aldaer gaen bidden en op haere knieën zyn gaen leggen, en nader ieder party gedaen hadden, wederom zyn weggegaen. (…)
Heb niet bespeurt, dat zy te samen gingen, ieder deet zyn gebeeden en ging weeder weg, noch dat eenige uyterlykheden van zingen of geluyt van haer is gedaen geworden. Hebben geen Kruysen of Kransen of Paustakken by haer gesien.

Hoe zijn doden en levenden verbonden?

De derde graaf van Carlisle wordt niet meer in het midden van de kerkgemeenschap begraven, maar in zijn eigen familiedomein. Dat betekent meer dan je misschien denkt. Tot dan toe is de familierelatie niet de belangrijkste, maar onderdeel zijn van de kerk (of van de gemeenschap der heiligen). Ook al kunnen rijke families hun dynastieke verbindingen regelen zonder al te veel zorgen over de kerk, uiteindelijk is het christendom lange tijd het hemels baldakijn boven hun levens. Dat verhaal raakt uitgewerkt. Onder de Arcadische hemel is een nieuw verhaal nodig over levenden en doden en hoe ze bij elkaar horen. De doden worden niet meer begraven temidden van de levenden: ze zijn weer gescheiden, zoals in de Antieke wereld. Het leven na de dood dat zij voor ogen hebben, is het voortleven in de herinnering van hun geliefden en van de wereld. Daarvoor hebben zij de levenden nodig. Hier begint het proces dat uitmondt in een twintigste-eeuws besef: ‘dood ben ik pas als jij mij bent vergeten.’ En hoe mooi is dan het vooruitzicht dat je nabestaanden in een lieflijke tuin kunnen verzinken in herinneringen.

Eikenduinen in het groen

De hemel boven Eikenduinen is definitief veranderd. Het beheer van de doden wordt gedeeld tussen de kerk en de plaatselijke overheid, begrafenissen kennen nauwelijks een religieuze component. Begraven is een aangelegenheid van burgers geworden, inwoners van Den Haag en omstreken. Het maakt niet uit tot welke gezindte ze behoren, dat ze in de buurt wonen (en betalen) is voldoende. Bezit van het terrein is niet meer afhankelijk van een religieuze instelling, ook niet van een gemeentelijke overheid, maar van geld en ondernemerschap. Dat is in het protestantse Nederland nog uniek, maar zal uiteindelijk de norm worden.

Vanaf 1744 kunnen de nieuw aangeplante bomen onbekommerd groeien. Eikenduinen kan zich ontwikkelen tot een lommerrijke begraafplaats. De mausolea zullen vanuit Engeland langzaam maar zeker het vasteland veroveren. Samen zorgen ze voor een Umstülpung van de begraafplaats tot een heel ander, Arcadisch begraaflandschap.

Naar blog 1
Naar blog 2
Naar blog 4

Geef een reactie