Begraven in Eikenduinen

De ruïne van Oud Eik en Duinen

Op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag staat een ruïne. Lange tijd heb ik gedacht dat die ruïne een folly was, een nagemaakte ruïne uit de achttiende of negentiende eeuw, om een sfeer van vergankelijkheid op te roepen. Maar toen ik als ritueelbegeleider betrokken werd bij uitvaarten op deze prachtige begraafplaats, en eens uitgebreid de tijd nam om rond te kijken, kwam ik erachter dat het een echte ruïne was. Uit de dertiende eeuw nog wel. Dat betekent dat Oud Eik en Duinen al zevenhonderd jaar de doden herbergt. Nu lijkt het één groot geheel, met oude en nieuwe elementen in harmonie. Maar dat is schijn.

Grote schokgolven die destijds de grond onder de doden lieten beven, zijn tot rust gekomen. Kleinere veranderingen werden groter of verdwenen. En soms gaan al die verschillende details ten onder door een nog grotere, plotselinge omwenteling. Wat doen bijvoorbeeld alle verschillende tradities van begraven ertoe als ineens het cremeren weer opgeld doet?

Umstülpung op de begraafplaats

De filosoof Ivan Illich noemt zo’n grote verandering Umstülpung: alsof je een trui binnenstebuiten keert. Het is nog steeds een trui, het is ook nog steeds gebreid weefsel, maar het uiterlijk is veranderd. Bij Umstülpung hoort ook, dat je je na zo’n verandering bijna niet kunt voorstellen dat het ooit anders is geweest. Grondig en gedetailleerd kijken helpt om de grote en kleine veranderingen in het oog te krijgen. Als ik de kleine vormveranderingen herken, kan ik misschien ook wat lijnen doortrekken naar de toekomst.

Een schokgolf; de doden midden tussen de levenden begraven

Dat begraven vroeger een rommelig gebeuren was, wist ik wel.
Maar dat begraven in of bij de kerk in Europa begon als een verdienmodel… dat wist ik niet.
Je moest betalen voor allerlei diensten van de kerk, ook voor het beheer van de doden.

Dat was niet de eerste schokgolf die door Europa ging. Vóór de entree van het christendom werden doden begraven in grafheuvels, op afstand van de levenden. Of ze werden gecremeerd en hun as werd in een grafheuvel gezet. Uit sommige perioden zien we alleen botresten in de graven liggen, uit andere hebben de doden grafgiften bij zich. Maar hoe dan ook waren doden en levenden van elkaar gescheiden. De voorchristelijke bevolking van noordwest Europa moet vreemd opgekeken hebben van de totaal andere benadering van levenden en doden van de christenen.

Wat je wel kon zien in het landschap, waren krachtplekken. Bijzondere bronnen, oude bomen, of krachtaders in de bodem. Daaromheen gingen mensen wonen. Toen de eerste christenen naar het Noorden trokken om de wereld te kerstenen, kwamen ze er snel genoeg achter dat een bruut vervangingsmodel niet werkte. Bonifatius werd bij Dokkum vermoord, leerden we op school, omdat hij de eik van Wodan omhakte. Maar krachtplekken kerstenen, dat lukte wel. Dus kwamen er bij de grote bomen en geneeskrachtige bronnen heiligenbeelden, kapellen en kerkjes. Niet meteen ging de voorchristelijke bevolking over op begraven. We weten dat lange tijd begraven en cremeren naast elkaar hebben bestaan, maar niet precies hoe lang en in welke verhouding, en of er veel spanning bestond tussen de twee gebruiken.
Wel weten we waar het christelijke gebruik vandaan komt. Uit Rome.

De eerste christenen kenden perioden van relatieve rust, onderbroken door hevige vervolgingen. Velen stierven de martelaarsdood. De lijken van die martelaren werden in de catacomben in Rome begraven, en dat werden de plekken waar christenen bijeen kwamen om elkaar moed in te spreken.

Op weg naar een monopoliepositie voor de kerk

Toen het christendom in 385 staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd, werden er overal kerken gesticht. De regel was dat een gemeenschap een altaar mocht zetten als er een reliek bij was: de resten van een martelaar of een heilige. De reliek maakte van die plek dus een heilige plek. Of dat nu een bestaande plek was zoals de catacomben, een gekerstende plek zoals een Romeins gebouw, of een nieuwe plek die gewijd werd voor kerkelijk gebruik. De bijeenkomsten werden gehouden rond die reliek. Ook begraven in de buurt van heiligen (ad sanctos) werd hoog aangeslagen. Relieken, lichamen of lichaamsdelen van dode heiligen, werden dus als het ware magneten voor levenden en doden.

Relieken trokken ook pelgrims aan. Om bij de reliek te mogen bidden, om dichtbij een reliek begraven te worden, of om een priester te vragen voor het zielenheil van een overledene te bidden: het kon allemaal, tegen betaling. En dat alles met pauselijke, en dus plaatsvervangend Goddelijke, goedkeuring van Gregorius de Grote, in de zevende eeuw (daar heb je het verdienmodel).

Toen het christendom zich verspreidde, bleven relieken hun magneetfunctie uitoefenen. Maar het cremeren ging ook nog steeds door. We weten dat Karel de Grote uiteindelijk vond dat het afgelopen moest zijn. In 784 vaardigde hij het Edict van Paderborn uit. Vanaf dat moment mochten doden alleen nog begraven worden en niet gecremeerd. Wie een dode cremeerde kreeg zelfs de doodstraf. En de kerk kreeg het monopolie op het beheer van de doden.

In teksten over de middeleeuwen wordt vaak neerbuigend geschreven over de enorme macht van de kerk. Vaak wordt de kerk afgeschilderd als een angstinstituut: de angst voor de hel moest de mensen in het gareel houden. Het klopt wel dat de kerk het hele leven beheerste. Je moest gedoopt zijn om het recht op een begrafenis te mogen claimen en je moest kerkelijk begraven zijn om de gunst van de hemelse heerlijkheid te mogen verwachten. En in de tussentijd mocht je niet afwijken van de kerkelijke norm. De kerk beheerde dus via de doden ook de levenden. Toch staat het minder ver van ons af dan je denkt. De invloed van de kerk is wel te vergelijken met de overal aanwezige invloed van het kapitalisme in onze levens. Wij zijn eraan gewend dat alles wat wij in ons leven doen, willen en plannen, verbonden is aan goederen en diensten die geld kosten. Voor alles is een expert die ons tegen betaling helpt. De orde van een God en een hemel zijn vervangen door de orde van de beurskoersen, verzekeringen en ‘sterke’ merken. En zoals je nu een prachtig idee kunt hebben, maar nergens komt als je er geen marketingstrategie aan koppelt, zo kon je in de eerste christelijke eeuwen wel prachtige ideeën hebben, maar als je je niet aanpaste aan de christelijke norm, kwam je evengoed nergens. Of je liep risico op de brandstapel. Zoals je nu in groot gevaar bent als je onverzekerd de weg opgaat.

Eikenduinen begon als een kerkhof

In de dertiende eeuw, toen de kerk het monopolie had op het beheer van de doden, en op het leven van de levenden, zo rond 1250, liet graaf Willem II in het gehucht Eikenduinen, tussen Monster en Den Haag, een kapel bouwen voor het zielenheil van zijn vader, Floris IV, die bij een toernooi om het leven gekomen was.

De kapel werd gewijd aan Maria, onze lieve Vrouwe van de zeven weeën. Met die wijding ging de kapel een eigen leven leiden, volgens de regels en patronen die toen golden. Maria werd als het ware het merk van de kapel. En: er moest een reliek komen. Het is me niet duidelijk geworden wanneer die reliek er kwam, maar hij kwam: een splinter van het kruis van Christus. En zoals je tegenwoordig geen computer meer koopt zonder het stickertje ‘intel inside’, had je als kerk een ‘reliek inside’ nodig om een altaar op te richten, en je diensten aan de man te brengen.

Wie het over de kapel te zeggen had, bleef een tijdje onbeslist. Uiteindelijk werd Eikenduinen in 1326 een zelfstandige parochie onder de leiding van het convent van Sint Maria in Middelburg. De kapel werd in 1331 met goedkeuring van de bisschop van Utrecht uitgebreid tot een kerk. Een belangrijk verschil tussen een kapel en een kerk was het hebben van een kerkhof. De bisschop van Utrecht gaf daar ook meteen toestemming voor: in Eikenduinen mochten doden begraven worden op het kerkhof bij de nieuwe kerk.

Bij een vroeg middeleeuws kerkhof moet je je meer voorstellen dan een begraafplaats alleen: het was ook een marktplaats, evenemententerrein en ontmoetingsplek. Doden en levenden waren daar ‘samen’. Er was handel, en de kerk profiteerde daarvan mee. De inkomsten vloeiden binnen. Uit het familiekapitaal van de graven, uit de bijdragen van gelovigen, en uit pelgrimsbeurzen. Een belangrijke pelgrim was Margaretha van Kleef. In 1398 kwam zij naar het ‘heilige kruis van Eikenduinen’ om God te danken voor de overwinning van haar man, graaf Albrecht, op de Friezen.

De gemeenschap van Eikenduinen groeide. Er werden kinderen geboren en gedoopt, en er stierven mensen en die werden begraven. De doden werden niet meer buiten de gemeenschap begraven, maar midden tussen de levenden. De doden werden herdacht, hun namen werden genoemd, en zo waren zij in een eeuwige verbinding in de gemeenschap der heiligen opgenomen. Het kerkhof werd ook slaapplaats genoemd: coemeterium. Je kunt daar het Engelse cemetry in herkennen. Het was de slaapplaats voor de doden in afwachting van de Jongste Dag. Tussen hun levende lotgenoten wachtten zij op het Laatste Oordeel.  En de levenden wisten dat zij ook spoedig bij die grote groep slapers bijgezet zouden worden.

De plattegrond van het begraven

Van het oude kerkhof is niets meer over. Dus we kunnen niet meer zien of het kerkhof van Eikenduinen dezelfde indeling had als veel andere kerkhoven: hoe belangrijker de dode, hoe dichter bij de magneet hij begraven werd (pas later kwamen daar ook ‘zij’s’ bij).

In de eerste periode van de kerk was de bevoorrechte plek in de kerk alleen bestemd voor kerkdienaren: de bisschop, de priester. Alle anderen werden begraven op het kerkhof. Hoge adel, de koning of de keizer, kon op den duur ook in de kerk begraven worden. Alle anderen konden terecht op het kerkhof. En ook daar gold: hoe dichter bij het reliek, hoe zaliger je plek.

Dat onderscheid tussen dichtbij en veraf ging nog verder. Op het Noordelijk halfrond is het Zuiden zonnig en het Noorden koud, donker en mossig. Het Noorden van een kerkhof werd bestemd voor zondaren, onbekende zwervers, en andere doden die niet binnen de normen van de kerk vielen, maar ook armen die de kosten van een luxer graf niet konden opbrengen. Ongedoopte kinderen werden vaak op aparte grond begraven. Zij vielen niet binnen de genade van de kerk.

Coemeterium, ja; eeuwige grafrust, nee

De bevolking groeide niet zo snel, maar een kerkhof kon natuurlijk vol raken. Zeker als het middenin de bebouwde kom stond: uitbreiding was dan simpelweg onmogelijk. Dan werden de resten opgegraven en in een knekelput begraven, zodat er weer ruimte kwam. Het kerkhof werd als het ware ‘opgeschud’ om plaats te maken voor nieuwe doden, wachtend op de Jongste Dag.

Eeuwige grafrust was duidelijk nog geen thema. Het verhaal van de Jongste Dag werd wel verteld, maar het had geen consequenties voor het handhaven van graven. Dat kun je trouwens al zien aan de manier waarop er met de lichamen van heiligen werd omgegaan: hier werd een hart bewaard, daar een bot, en op een andere plek weer een lok haar. Het was een levendige handel.  Het werd zelfs zo erg, dat paus Bonifatius VIII in 1300 een verbod uitvaardigde op het snel laten verteren van lijken, om ze als relieken uit elkaar te kunnen halen. Dat gebeurde met kokend water of met vuur. Een onsmakelijk verhaal voor ons, maar toen zo verbreid dat hij er maatregelen tegen wilde treffen.

In Eikenduinen was men tevreden met de splinter van het kruis van Christus. Het leven ging door. In de vijftiende eeuw nam de bevolking af, en in de zestiende eeuw nog meer. Het is niet duidelijk waardoor dat kwam. Een epidemie? Verhuizingen naar andere plekken, zoals Rijswijk en Delft? We weten het niet.

Van de kerk van Eikenduinen is niet meer over dan de ingang en een afgebrokkelde muur. Een mooi beeld voor de afbrokkeling van de monopoliepositie van de kerk in het beheer van de doden.

In het volgende deel laat ik zien hoe die afbrokkeling is begonnen.

Geef een reactie