Begraven in Eikenduinen

De ruïne van Oud Eik en Duinen

Op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag staat een ruïne. Lange tijd heb ik gedacht dat die ruïne een folly was, een nagemaakte ruïne uit de achttiende of negentiende eeuw, neergezet om een sfeer van vergankelijkheid op te roepen. Als je naar de rest van de begraafplaats kijkt, is dat niet eens een gek idee. Er staan wel meer bijzondere, negentiende-eeuwse bouwwerken.

Voorbeelden van follies in Nederland: links een muur in het park Duindigt in Wassenaar, midden een toren in Olst. Foto’s gemaakt door Hetty Wilming en met haar vriendelijke toestemming gebruikt. Rechts de echte ruïne op Oud Eik en Duinen.

Maar toen ik als ritueelbegeleider betrokken werd bij uitvaarten op deze prachtige begraafplaats, en eens uitgebreid de tijd nam om rond te kijken, kwam ik erachter dat het een echte ruïne was. Uit de dertiende eeuw nog wel! Dat betekent dat Oud Eik en Duinen al ruim zevenhonderd jaar de doden herbergt. Nu lijkt de begraafplaats één groot geheel, met oude en nieuwe elementen harmonieus naast elkaar. Maar dat is het resultaat van een lange geschiedenis, waarin zelfs het voortbestaan van de begraafplaats op het spel heeft gestaan.

Grote schokgolven die destijds de grond onder de doden lieten beven, zijn tot rust gekomen. Kleinere veranderingen werden groter of verdwenen. En soms gaan verschillen die ooit zo belangrijk waren, als onbeduidende details ten onder door een nog grotere, plotselinge omwenteling. Wat doen bijvoorbeeld alle verschillende tradities van begraven ertoe als ineens cremeren in opkomst komt? En wat moet een begraafplaats doen als het herdenken van overleden geliefden steeds meer op social media plaatsvindt, en steeds minder op de begraafplaats? Interessante vragen voor een ritueelbegeleider en voor mensen die willen weten hoe ze moeten leven met de dood.

Umstülpung op de begraafplaats

Voor zulke grote vragen heb je een handvat nodig. Dat vind ik bij de filosoof Ivan Illich. Hij noemt zo’n grote verandering Umstülpung: alsof je een trui binnenstebuiten keert. Het is nog steeds een trui, het is ook nog steeds gebreid weefsel, maar het uiterlijk is veranderd. Bij Umstülpung hoort ook, dat je je na zo’n trage verandering bijna niet kunt voorstellen dat het ooit anders is geweest. Grondig en gedetailleerd kijken helpt om de grote en kleine veranderingen in het oog te krijgen. Als ik de kleine vormveranderingen herken, kan ik misschien ook wat lijnen doortrekken naar de toekomst.

Een schokgolf; de doden midden tussen de levenden begraven

Dat begraven vroeger een rommelig gebeuren was, met opgeschudde kerkhoven, lichaamsdelen als relieken in gouden houders en botten die uit knekelvelden omhoog staken, wist ik wel.
Maar dat begraven in of bij de kerk in Europa begon als een verdienmodel… dat wist ik niet. Ik schrok ervan hoe vanzelfsprekend het was om geld te vragen voor het beheer van de doden.
Toen de vroegere bewoners van de Lage Landen in confrontatie kwamen met christelijke missionarissen uit Rome, schrokken zij ook, maar van iets anders, dat nog vooraf ging aan het betalen voor grafdiensten. Een totaal onbekende gewoonte: de doden begraven midden tussen de levenden!

Vóór de entree van het christendom werden doden begraven in grafheuvels, op afstand van de levenden. Of ze werden gecremeerd, en hun as werd in een grafheuvel gezet. In opgravingen uit sommige perioden zien we alleen botresten in de graven liggen, uit andere hebben de doden grafgiften bij zich. Maar hoe dan ook waren doden en levenden van elkaar gescheiden.

Grafheuvels bij Arnhem zoals voorchristelijke inwoners van de Lage Landen ze maakten.

De voorchristelijke bevolking van noordwest Europa moet vreemd opgekeken hebben van de totaal andere benadering van levenden en doden van de christenen. Waarom wilden ze de doden tussen de levenden begraven? En hoe slaagden ze erin om die gewoonte als standaard te vestigen? Dat is een lang Umstülpungsverhaal.

Krachtplekken

Voorchristelijke bewoners van de Lage Landen begroeven hun doden buiten hun leefgemeenschappen. Maar hun leefgemeenschappen waren vaak gegroepeerd rond krachtplekken. Bijzondere bronnen, oude bomen, of krachtaders in de bodem. Toen de eerste christenen naar het Noorden trokken om de wereld te kerstenen, kwamen ze er snel genoeg achter dat bruut wegduwen niet werkte (Bonifatius werd bij Dokkum vermoord, leerden we op school, omdat hij de eik van Wodan omhakte). Maar krachtplekken kerstenen (christelijk maken), dat lukte wel. Dus kwamen er bij de grote bomen en geneeskrachtige bronnen heiligenbeelden, kapellen en kerkjes. En dus, op termijn, kerkhoven. Dat was het begin.

Niet meteen ging de voorchristelijke bevolking over op begraven. We weten dat lange tijd begraven en cremeren naast elkaar hebben bestaan, maar niet precies hoe lang en in welke verhouding, en of er veel spanning bestond tussen de twee gebruiken.
Wel weten we waar het christelijke gebruik van begraven vandaan komt. Uit Rome.

De eerste christenen in het Romeinse Rijk kenden perioden van relatieve rust, onderbroken door hevige vervolgingen. Velen stierven de martelaarsdood. De lijken van die martelaren werden in de catacomben in Rome begraven, en dat werden de plekken waar christenen bijeen kwamen om elkaar moed in te spreken. Hun krachtplekken, als het ware.

Op weg naar een monopoliepositie voor de kerk

Toen het christendom in 385 staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd, werden er overal kerken gesticht. De regel was dat een gemeenschap een altaar mocht zetten als er een reliek bij was: de dode resten van een martelaar of een heilige. De reliek maakte van die plek dus een heilige plek. Of dat nu een bestaande plek was zoals de catacomben, een gekerstende plek zoals een bestaand Romeins gebouw, of een nieuwe plek die gebouwd werd voor kerkelijk gebruik. De bijeenkomsten werden gehouden rond die reliek. Ook begraven in de buurt van heiligen (ad sanctos) werd hoog aangeslagen. De gedachte was dat zo’n heilige voor jou pleitte bij God voor een gunstige plek in het hiernamaals. Relieken, lichamen of lichaamsdelen van dode heiligen, werden dus als het ware magneten voor levenden en doden. En zo kon een krachtplek voor Wodan langzaam maar zeker door een reliek ‘umgestülpt’ worden tot een krachtplek voor christenen.

Relieken trokken ook pelgrims aan. Om bij de reliek te mogen bidden, om dichtbij een reliek begraven te worden, of om een priester te vragen voor het zielenheil van een overledene te bidden: het kon allemaal, maar wel tegen betaling. En dat alles met pauselijke, en dus plaatsvervangend Goddelijke, goedkeuring van Gregorius de Grote, in de zevende eeuw. Daar heb je het verdienmodel.

Toen het christendom zich verspreidde,ging het cremeren nog steeds door. We weten dat Karel de Grote uiteindelijk vond dat het afgelopen moest zijn. In 784 vaardigde hij het Edict van Paderborn uit. Vanaf dat moment mochten doden alleen nog begraven worden en niet gecremeerd. Wie een dode cremeerde kreeg zelfs de doodstraf. En de kerk kreeg het monopolie op het beheer van de doden.

Sterke merken

In moderne teksten over de middeleeuwen wordt vaak negatief geschreven over de enorme macht van de kerk. Vaak wordt de kerk afgeschilderd als een angstinstituut: de angst voor de hel moest de mensen in het gareel houden. Daar valt wel wat op af te dingen. Het klopt wel dat de kerk het hele leven beheerste. Je moest gedoopt zijn om het recht op een begrafenis te mogen claimen en je moest kerkelijk begraven zijn om de hemelse heerlijkheid te mogen verwachten. In de tussentijd mocht je niet afwijken van de kerkelijke norm. De kerk beheerde dus via de doden ook de levenden.

Toch staat het minder ver van ons af dan je denkt. De invloed van de kerk is wel te vergelijken met de overal aanwezige invloed van het kapitalisme in onze levens. Wij zijn eraan gewend dat alles wat wij in ons leven doen, willen en plannen, verbonden is aan goederen en diensten die geld kosten. Voor alles is een expert die ons tegen betaling helpt. De orde van een God en een hemel zijn vervangen door de orde van experts, verzekeringen en ‘sterke’ merken. En zoals je nu een prachtig idee kunt hebben, maar nergens komt als je er geen marketingstrategie aan koppelt, zo kon je in de eerste christelijke eeuwen wel prachtige ideeën hebben, maar als je je niet aanpaste aan de christelijke norm, kwam je evengoed nergens. En je zou, omgekeerd, Maria een sterk Middeleeuws merk kunnen noemen. Een merk dat ook in Eikenduinen het leven van veel gelovigen beïnvloedde.

Eikenduinen begon als een kapel

In de dertiende eeuw, toen de kerk het monopolie had op het beheer van de doden en levenden, zo rond 1250, liet graaf Willem II in het gehucht Eikenduinen, tussen Monster en Den Haag, een kapel bouwen voor het zielenheil van zijn vader, Floris IV, die bij een toernooi om het leven gekomen was.

De kapel werd gewijd aan Maria, onze lieve Vrouwe van de zeven weeën. Met die wijding ging de kapel een eigen leven leiden, volgens de regels en patronen die toen golden. Maria werd het ‘merk’ van de kapel. En: er moest een reliek komen. Het is me niet duidelijk geworden wanneer die reliek er kwam, maar hij kwam: een splinter van het kruis van Christus. En zoals je tegenwoordig geen computer meer koopt zonder het stickertje ‘intel inside’, had je als kerk een ‘reliek inside’ nodig om een altaar op te richten, en je diensten aan de man te brengen.

Wie het over de kapel te zeggen had, bleef een tijdje onbeslist. Uiteindelijk werd Eikenduinen in 1326 een zelfstandige parochie onder de leiding van het convent van Sint Maria in Middelburg. De kapel werd in 1331 met goedkeuring van de bisschop van Utrecht uitgebreid tot een kerk. Een belangrijk verschil tussen een kapel en een kerk was het het beheer van de doden. De bisschop van Utrecht gaf daar ook meteen toestemming voor: in Eikenduinen mochten doden begraven worden, en er kwam een kerkhof bij de nieuwe kerk.

Marktplaats en evenemententerrein

Bij een vroeg middeleeuws kerkhof moet je je meer voorstellen dan een begraafplaats alleen: het was ook een marktplaats, evenemententerrein en ontmoetingsplek. Het was immers vaak ontstaan op een plek waar mensen elkaar al opzochten. Er was handel, en de kerk profiteerde daarvan mee. De inkomsten vloeiden binnen. Uit het familiekapitaal van de Graven van Holland, uit de bijdragen van gelovigen, en uit pelgrimsbeurzen. Een belangrijke pelgrim was Margaretha van Kleef. In 1398 kwam zij naar het ‘heilige kruis van Eikenduinen’ om God te danken voor de overwinning van haar man, graaf Albrecht, op de Friezen.

Slapen tot de Jongste Dag

De gemeenschap van Eikenduinen groeide. Er werden kinderen geboren en gedoopt, en er stierven mensen en die werden begraven. De doden werden niet meer buiten de gemeenschap begraven, maar midden tussen de levenden. De doden werden herdacht, hun namen werden genoemd, en zo waren zij in een eeuwige verbinding in de gemeenschap der heiligen opgenomen. Je moet je dat voorstellen als een inbedding in een tijd die veel verder gaat dan de tijd waaraan wij gewend zijn. Voorbij het einde van jouw leven en voorbij het einde van de wereld strekt zich dan een eeuwig bestaan uit met God en de engelen en alle mensen die ooit geleefd hebben en ooit zullen leven. Een kerkhof was het levende illustratie van die tijd.

Het kerkhof werd ook slaapplaats genoemd: coemeterium. Je kunt daar het Engelse cemetery in herkennen. Het was de slaapplaats voor de doden in afwachting van de Jongste Dag, het einde van de wereld. Tussen hun levende lotgenoten wachtten zij op het Laatste Oordeel, dat hun lot zou bepalen: voor eeuwig in de hemel of voor eeuwig in de hel.  En de levenden wisten dat zij ook spoedig bij die grote groep slapers bijgezet zouden worden. En anders herinnerden de graven hen er wel aan.

De plattegrond van het begraven

Van het oude kerkhof is niets meer over. Dus we kunnen niet meer zien of het kerkhof van Eikenduinen dezelfde indeling had als veel andere kerkhoven: hoe belangrijker de dode, hoe dichter bij de reliekmagneet hij begraven werd (pas later kwamen daar ook ‘zij’s’ bij, als ze uit belangrijke families kwamen).

In de eerste periode van de kerk was de bevoorrechte plek in de kerk alleen bestemd voor kerkdienaren: de bisschop, de priester. Alle anderen werden begraven op het kerkhof. Hoge adel, de koning of de keizer, kon op den duur ook in de kerk begraven worden. Alle anderen konden terecht op het kerkhof. En ook daar gold: hoe dichter bij het reliek, hoe zaliger je plek.

Dat onderscheid tussen dichtbij en veraf ging nog verder. Op het Noordelijk halfrond is het Zuiden zonnig en droog en het Noorden koud, donker en mossig. Het Noorden van een kerkhof werd bestemd voor zondaren, onbekende zwervers, maar ook armen die de kosten van een luxer graf niet konden opbrengen. Ongedoopte kinderen, die tijdens of vlak na hun geboorte stierven, werden vaak op aparte grond begraven. Die grond was niet gewijd door kerkelijke rituelen: ongewijde grond. Overleden babies die nog niet gedoopt waren vielen immers niet binnen de genade van de kerk en hadden dus geen recht op gewijde grafjes. Voor ons is het niet meer te bevatten dat christelijke regels zo wreed konden zijn.

Coemeterium, ja; eeuwige grafrust, nee

De bevolking groeide niet zo snel, maar een kerkhof kon natuurlijk vol raken. Zeker als het middenin de bebouwde kom stond: uitbreiding was dan simpelweg onmogelijk. Dan werden de resten opgegraven en in een knekelput begraven, zodat er weer ruimte kwam. Het kerkhof werd als het ware ‘opgeschud’ om plaats te maken voor nieuwe doden, wachtend op de Jongste Dag.

Eeuwige grafrust was duidelijk geen thema. Het verhaal van de Jongste Dag, waarop alle doden uit hun graven zouden opstaan en hun lichamen vernieuwd zouden worden, werd wel verteld, maar het had geen consequenties voor het handhaven van grafrust of het compleet bewaren van lichamen. Dat kun je trouwens al zien aan de manier waarop er met de lichamen van heiligen werd omgegaan: hier werd een hart bewaard, daar een bot, en op een andere plek weer een lok haar. Het was een levendige handel.  Het liep zelfs zo uit de hand, dat paus Bonifatius VIII in 1300 een verbod uitvaardigde op de praktijk om lijken supersnel te laten verteren, zodat ze in relieken ontbonden konden worden. Dat gebeurde met kokend water of met vuur. Een onsmakelijk verhaal voor ons, maar toen zo verbreid dat er maatregelen tegen nodig waren.

Afbrokkeling

In Eikenduinen was men tevreden met de splinter van het kruis van Christus. Het leven ging door. Niets wees erop dat er uiteindelijk van de kerk weinig meer over zou blijven dan de ingang en een afgebrokkelde muur. Een mooi beeld voor de afbrokkeling van de monopoliepositie van de kerk in het beheer van de doden.

In het volgende deel laat ik zien hoe die afbrokkeling is begonnen.

Geef een reactie