Begraven op Eikenduinen deel 5 Requiem voor de levenden

In de voorafgaande delen heb ik verteld over het ontstaan van de parochiekerk die verandert in een ruïne op een katholiek schuilkerkhof. Langzaam wordt het een begraafplaats voor met name katholieken. Na de Franse Revolutie verwerven katholieken een eigen begraafplaats en ze verlaten Eikenduinen. Kerkhoven worden begraafplaatsen, en veranderen in ondernemingen. Geld speelt intussen wel degelijk een rol.

In de dood zijn allen gelijk, maar sommige doden zijn toch meer gelijk dan anderen. Dat verschil krijgt van oudsher vorm in de ruimte. Verschillende afstanden die de doden tot de reliek innemen bepalen de positie van die doden. Arme doden worden in toenemende mate nuttig gebruikt voor medisch onderzoek voordat ze in een massagraf verdwijnen. En wie zichzelf van het leven berooft valt buiten de genade van de kerk – en dus van de hemel.

Een Werther?

Vlak voordat eigenaar Van der Goes overlijdt, vindt een drama plaats. Boekhandelbediende Isidore Suzan wil niet langer leven als de vrouw van zijn dromen van een ander blijkt te houden. Op 12 augustus 1829 jaagt hij een kogel door zijn hoofd en sterft dezelfde dag. Heeft hij Goethes ‘Die Leiden des Jungen Werther’ gelezen, het boek waarin Werther zich van het leven berooft wegens liefdesverdriet? Het is vanwege de ‘besmettelijkheid’ die vele jonge mannen tot zelfdoding dreef tot 1825 verboden geweest; als boekhandelbediende kan Isidore gemakkelijker dan anderen aan zulke literatuur zijn gekomen.

In het laatste zinnetje van zijn roman: ‘Kein Geistlicher hat ihn begleitet’ rekent Goethe af met de kleinzieligheid van de geestelijken, die Werther zouden kunnen bijstaan, maar dat niet doen. In het Duitsland van 1774 geldt zelfdoding als een grote zonde, die het recht op een kerkelijke begrafenis, en dus op de hemel, verspeelt. Maar Goethe passeert de kerk. Werther wordt begraven op een zelfgekozen, idyllische plek.

Isidore kan zo’n 50 jaar na het verschijnen van Werther rekenen op een graf op het idyllische Eikenduinen, zij het net naast de muur van de ruïne. Van der Goes neemt hier het risico om de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en de publieke opinie te ergeren. Maar kennelijk is de atmosfeer veranderd, want er volgt geen ophef. Hij geeft een vriend van Isidore toestemming om een steen op zijn graf te plaatsen met een aangrijpende tekst, die niet rept over zijn zelfdoding, maar de vriendschap die hij zijn vrienden heeft bewezen. De rouw om een jong leven mag gekoesterd worden.

Na de dood van Van der Goes gaan de nieuwe eigenaars, de broers Noordendorp, voortvarend aan de slag met het uiterlijk en de indeling van Eikenduinen. Met het nieuwe protestantse deel erbij willen ze iets neerzetten. Ze grijpen naar wat op dat moment voor de hand ligt. De toegangspoort tot de begraafplaats is niet meer religie, het is geld. Onder de nieuwe hemel komt het verschil tussen de doden tot uiting in de omvang en decoratie van de grafmonumenten. Dan hebben we het uiteraard over vermogende burgers.

Eén van de broers haalt een zuil uit een ander grondbezit een stenen zuil met daarop de tekst: castiss dei habitagvlo non nisi casta mento to (aan de zeer reine woning van God niet anders dan met een heilig gemoed) naar Eikenduinen en plaatst die in de resten van het koor. Vanuit de poort van de ruïne heb je er direct zicht op. Romantici willen graag geloven dat dit een oude Romeinse zuil is, maar snel wordt duidelijk dat de zuil uit een gesloopte kapel in Veur (het latere Voorschoten) komt. De tekst doet er eigenlijk niet zo toe; het symbool van een gebroken zuil des te meer.

De beeldentaal op de begraafplaats moet geen ‘vreze des Heeren’ meer oproepen, maar emotie en esthetiek. Er komt een obelisk op het protestantse deel, verwijzing naar de veroveringstochten van Napoleon, en een theekoepel, waarvan de contouren al uit de achttiende eeuw stammen. Eikenduinen wordt een aangename plaats om te verwijlen en te mijmeren over leven, dood en vergankelijkheid. Precies zoals de graaf van Carlisle zich een eeuw eerder voorstelde. Een trickle down effect, dat aankomt bij de gegoede burgerij.

Met de sobere begrafenissen was het al gedaan sinds de pracht van de begrafenis van d’Espinousa. Nu komen er emotionele uitingen bij, die eerder aansluiten bij een burgerlijk bestaan dan bij een calvinistisch sterfelijkheidsbesef. Rouwboeketten bijvoorbeeld, maar ook uitingen van emotie in toespraken bij het graf, en in teksten op de grafstenen. Die uitingen zijn nog steeds christelijk, maar veranderen van toon. In het geloof van de gegoede burgers is er een goede God, die hun emoties serieus neemt en persoonlijk op hen wacht als zij overlijden, om ze bij hun geliefden te voegen. De oude ideeën over het vagevuur, de hemel waar zielen zullen zijn als engelen, en een hel vol ‘geween en tandengeknars’, raken umgestülpt. De hemel wordt een Arcadische heerlijkheid, zoals de graaf van Carlisle die voor zich zag. Aardse liefdesbanden worden bestendigd in een alom vredige hemelse zoetheid. De wilde woeste liefdessmart van Isidore Suzan is niet aan hen besteed. Zij leven liever kalm en overzichtelijk, met een vaak bezocht graf op een lommerrijke begraafplaats in het verschiet.

Ein Deutsches Requiem

Ook in de muziek wordt de ‘emotionalisering’ en de verschuiving naar het ‘hiernumaals’ hoorbaar. Het oude Requiem, vol teksten over de dag der wrake en smeekbeden om genade, krijgt van Johannes Brahms rond 1868 een nieuwe invulling. Dit Requiem siddert niet voor de dag van de wraak van God op alle zondaren. Smeekbeden voor het zielenheil van een overledene zijn niet te horen. Het gaat over de ervaringen van het menszijn. De teksten komen uit de Bijbel, maar met een totaal andere focus dan die uit het klassieke Requiem. Is de eerste zin uit het klassiek Requiem Requiem aeternam dona eis Domine (geef hen eeuwige rust, Heer), het Duitse Requiem begint met Selig sind, die da Leid tragen, denn sie sollen getröstet werden (zalig zijn zij die leed dragen, want zij zullen getroost worden).

Brahms heeft voorkeur voor de naam Mensenrequiem, omdat het hem gaat om de algemeen menselijke ervaring van sterfelijkheid, lijden en troost. Hij laat verwijzingen naar Jezus als Verlosser van zonde uit zijn teksten. Het Requiem is niet bedoeld voor uitvaarten, maar voor de concertzaal. Dat is de plek waar gegoede burgers in hun levensbeschouwelijke behoeften voorzien.

Recensie van een opvoering van Ein Deutsches Requiem op 22 januari 1876 in het Algemeen Handelsblad.

Het denken over de dood is niet langer een kwestie van de andere wereld, maar van deze. De troost komt niet van een hemelse vader, maar lijkt meer op die van een menselijke moeder. Het Requiem vertegenwoordigt het gevoel dat welgestelde Hagenaren hebben als zij een familielid op Eikenduinen komen begraven. De pogingen om met aflaten het lot van de doden ten goede te keren zijn niet meer nodig. Het protestantse idee dat je na iemands dood niets meer kunt doen behalve hopen op Gods genade is ook vervangen: de genade is nu min of meer gegarandeerd door een God met een menselijk gezicht in een hemel met aardse, pastorale vergezichten. Daardoor komt er aan deze zijde van de dood meer emotionele ruimte voor het rouwen van de nabestaanden.

Kapitalisme

In de vormgeving van Eikenduinen is echter ook een ander proces zichtbaar: kapitalisme. De begraafplaats wordt gerund als een onderneming en dus richten de broers Noordendorp zich op de smaak van het welgestelde, burgerlijke publiek. Reclamefolders tonen de landschappelijke elementen die op dat moment zo gewild zijn. Bekende Nederlanders late zich op Eikenduinen begraven en werken zo mee aan het imago van eigentijdse begraafplaats. Ook de goedkeuring van de inspectie van begraafplaatsen, ingesteld om de nieuwe wetgeving omtrent begraven te handhaven, werkt daaraan mee.

De sfeer van de begraafplaats raakt ook umgestülpt: van een representatie van een geloofsgemeenschap wordt het een verzamelplaats van strangers meeting in the dust. De band van het geloof maakt plaats voor een familieband. Kan een familie zich een familiegraf veroorloven, dan hebben de familieleden zekerheid om bij elkaar begraven te worden. Zo niet, dan is het van de beschikbare ruimte en het beschikbare budget afhankelijk waar een dode komt te liggen. Andere nieuwe kostenposten vormen de rouwboeketten, de rouwbrieven en andere vormelementen, die van luxe tot noodzaak worden om in de gemeenschap te blijven tellen als iemand die om een overledene geeft.

Om ook voor minder welgestelde burgers een begrafenis mogelijk te maken, beginnen de broers Noordendorp een fonds, Troost der behoeftigen. Deze begrafenisbus is bestemd voor hun beroepsgroep, metselaars, maar zal in andere beroepsgroepen navolging vinden. Met deze stap legitimeren zij het verlaten van de verantwoordelijkheid om een begrafenis voor iedereen mogelijk te maken. In plaats van de standaardvoorziening voor iedereen, waarop alleen voor rijken of hooggeplaatsten uitzonderingen worden gemaakt, wordt nu de wedloop in consumptie leidend voor iedereen. De volgende stap is om de prijzen marktconform te maken, met een ondersteuning voor wie niet aan deze prijs kan voldoen.

De individualisering van het leven na de dood krijgt een nieuwe gestalte. Geld speelt vanaf dat moment voor altijd een rol.

Naar blog 1
Naar blog 2
Naar blog 3
Naar blog 4

Geef een reactie