…en onze kleinkinderen dweilen de zondvloed wel op

Atlantis heeft vele zusters.

Gesponnen uit draden van heimwee naar een gouden tijd. Voorgoed voorbij, voorgoed verzwolgen. Of bedoeld als waarschuwing, zoals het verhaal van de zondvloed, een verhaal van corruptie die wel gevolgen over zichzelf moest afroepen.

Soms hecht het verhaal zich aan iets tastbaars: een versteend bos dat opduikt bij eb, een opvallende laag sediment, botten in een zandbank.

‘Antiquarians’, welgestelde witte dominees in het Engeland van de negentiende eeuw, zochten naar geologische getuigen om het verhaal van de zondvloed vaste voet te geven in de wereld van de feiten. Hoe aantrekkelijk was het toen om fossiele vondsten glad te strijken tegen het behang van de schepping. Aantrekkelijk, en omstreden.

Want de strijd tegen een nieuwe manier van kijken die moralisme de mond snoerde en de feiten liet spreken was in volle gang. Feiten die de geschiedenis van de aarde oprekten met miljoenen jaren en de geschiedenis van de mensen verkleinde tot een detail in het universum. Antiquarians waren de laatste reddingspogingen voor een betekenisvol verhaal voordat oorzaak en gevolg de plaats van zonde en straf innamen.

In die ontwikkelingen kwam archeoloog en paleobotanist Clement Reid in 1913 met een hypothese dat tussen wat nu Engeland is, Noorwegen en Nederland een uitgestrekt land moet zijn geweest.
Hij maakte niet meer mee dat bodemvondsten zijn hypothese bevestigden.

Want er wàs land. Leefgebied van dieren en mensen, millennia beheerst door een paradijselijk subtropisch klimaat, maar daarna eeuwenlang door een dikke ijslaag overdekt en nauwelijks bewoonbaar, tot klimaatverandering weer menselijke bewoning mogelijk maakte: Doggerland.

Doggerland: naar doggers, kabeljauwvissers, die op de Noordzee in hun levensonderhoud voorzagen. Toen zij in de twintigste eeuw met sleepnetten begonnen te werken, vonden ze regelmatig klompen turf in hun netten. In 1931 dook uit zo’n klomp turf een speerpunt op. Gemaakt van een gewei, door archeologen herkend als een speerpunt uit de midden-steentijd, tussen 13.000 en 3500 voor de jaartelling.

De turf wees erop dat het gebied Doggerbank, dat nu zo’n 93 meter onder water ligt, ooit droog lag en begroeid was. In de jaren 50 kon de speerpunt met de nieuwe C14-technologie gedateerd worden als 11.500 jaar oud.
Met de speerpunt begon een nieuw verhaal over verdronken land. Botten, jachtwapens, vaartuigen doken op of werden opgedoken.

Tussen Engeland, Nederland en Noorwegen leefden in verschillende tijdperken wolharige mammoeten, sabeltandtijgers, talloze kleine zoogdieren, en mensen. Even geleidelijk als plotseling kwam er een einde aan die bewoning. Klimaatverandering bereidde het einde voor, een grote tsunami voor de kust van Noorwegen, De Storegga Slide, gaf de doorslag. Of de tsunami nog veel mensen op Doggerland overviel, is niet bekend. Archeologen vermoeden dat vele Doggerlanders het door klimaatverandering en zeespiegelstijging al veilig hogerop gezocht hadden.

Zo kan het dus gaan: eeuwenlang opgebouwde sneeuwbedekking kan door een kleine temperatuurstijging gaan smelten, de druk van het ijs neemt af, de landmassa komt omhoog, maar het water ook. Hoe lang houden water en land elkaar in evenwicht? Wanneer ontstaat er ergens zoveel druk dat de zeebodem gaat schuiven en de balans voorgoed verandert?

Geen vraag om te beantwoorden met zonde en straf, of je moet even cynisch en wreed zijn als de god van de zondvloed. Evenmin een vraag om te beantwoorden in termen van verantwoordelijkheid. De mensen die toen leefden konden het klimaat niet beïnvloeden op de schaal die wij nu bereikt hebben. Ze waren met te weinig. Ze verstookten op veel te kleine schaal om maar een begin van een broeikaseffect te bewerkstelligen. Hen trof het ongeluk dat ze woonden in de blinde maalstroom van de Storegga slide. Oorzaken en gevolgen ver buiten hun invloed.

De god van zonde en straf heeft plaatsgemaakt voor de god van winstmaximalisatie en beperkte aansprakelijkheid. Miljoenen mensen treft het ongeluk dat ze wonen in de blinde maalstroom van fossiele industrie, internationaal vrachtverkeer en flitskapitaal.

Maar dat zijn geen natuurverschijnselen.

In het antropoceen zijn wij een aanzienlijke oorzaak van klimaatverandering. Als mensen hebben we cycli ontketend die we niet meer kunnen beheersen en die ons, maar zeker de generaties na ons, ingrijpend zullen beïnvloeden. Miljoenen klimaatvluchtelingen worden voorspeld, en ze zijn al op drift. Miljoenen vierkante kilometers land zullen onbewoonbaar worden of onbruikbaar voor voedselvoorziening, en ze worden al verlaten. Miljoenen dieren worden in hun voortbestaan bedreigd en daarmee ook het hele ecosysteem. De omvang van de ramp adembenemend als de Storegga Slide.

Met dit verschil: wij kunnen een ramp zien aankomen.
Niet dat het veel verschil maakt. Elk probleem dat mensen veroorzaken, wordt uiteindelijk te groot om te hanteren. Het wordt een juggernaut, een grote wagen die op drift raakt en mensen onder zijn wielen verplettert. Wij mensen creëren onze eigen Storegga Slides. Is dat het lot van een lerende mensheid?

De god van zonde en straf bleek niet opgewassen tegen de harde feiten, maar de harde feiten alleen zijn niet genoeg om de god van winstmaximalisatie te beteugelen. We hebben nieuwe verhalen nodig die ons verbinden met onze omgeving en ons een richting geven om onze verantwoordelijkheid uit te oefenen.

Het oude verhaal van de zondvloed laat me niet los. Ik zou het een nieuwe gestalte willen geven. Een nieuw moreel verhaal over de zondvloed die we als Westerse consumenten dagelijks dichterbij brengen, ten koste van mensen elders, dieren hier, tot het ons uit de hand loopt. Na ons de zondvloed, ooit de leus van een onverschillige elite, is onze normale manier van leven geworden. Wij zijn die elite. En na ons komt een zondvloed. Er is nog tijd om in actie te komen voordat de klimaatverandering Storegga-omvang krijgt.

Kunnen we het lot van een lerende mensheid keren?
We erven de aarde niet van onze voorouders, we hebben haar te leen van onze kleinkinderen, zeggen de Haida in wat in westerse taal Canada heet.

Onze kleinkinderen. Dweilen die straks onze zondvloed wel op?

We moeten ze meer kunnen geven dan een dweiltje.

Geef een reactie