Zoomfatigue en de treinervaring van Victor Hugo

Toen we tijdens de lockdown in (nood-)gedwongen isolatie moesten, protesteerde ons limbisch systeem, dat geborgenheid en huidcontact nodig heeft. Mijn dochter noemde dat ooit ons poezenbrein, dat instinctief zoekt naar een veilig plekje. Nog los van de snelheid waarmee naar oplossingen werd gezocht om werkprocessen vooral doorgang te laten vinden (en de zorg die dat oproept over uitgestelde rouw) zie ik ook een ander probleem: dat we niet goed raad weten met onze belichaamdheid.

Fysieke afstand ont-verren

De term social distancing geeft al aan dat fysieke afstand ook sociale afstand in zich bergt. En daarmee sociale angst. Wie zijn wij, als onze lichamen besmettingsgevaar meedragen?

En wat moeten we met de enorme vlucht die videobellen neemt? De filosoof Heidegger biedt daarvoor een begrip aan over het effect van radio en telefoon: Entfernung. Iets dat ver weg is ‘ont-verren’, bemiddeld door techniek een verbinding leggen over de afstand heen . Radio, telefoon of videoprogramma’s brengen ons niet dichter bij elkaar, ze ‘ont-verren’ alleen de fysieke afstand. De emotionele en spirituele verbinding moeten we zelf, ‘ont-lichaamd’ en al, leggen. En de vraag is, hoe we daarin slagen, en tegen welke prijs. Want waar laten we intussen de behoeften van ons belichaamde zelf? Ont-verrende techniek is niet zomaar een hulpmiddel. De invloed ervan gaat veel verder. Tijd voor details.

Techniek versterkt ons

Het denken over de verhouding tussen mensen en technologie begint met een even kenmerkend als simpel gereedschap: de hamer. Eerst heb je de onwennige ervaring, als de hamer in je hand je opvalt, en je nog moet wennen aan het gewicht in je hand en de extra kracht die je kunt uitoefenen en moet leren beheersen. Naarmate je meer timmert, merk je de hamer minder op. Dan kun je je helemaal concentreren op die spijker die in het hout moet. De hamer is als het ware doorzichtig geworden, een verlengstuk van je hand en je arm.  

Techniek verandert ons

Maar! Technologie is veel meer dan een gereedschap dat wij gebruiken en weer wegleggen. Je gebruikt technologie niet zozeer, je gaat er een alliantie mee aan. De leus van de NRA om wapengebruik te legitimeren: guns don’t kill people; people kill people miskent de impact van technologie. Zonder pistool kun jij onmogelijk iemand doodschieten. En zonder persoon richt een pistool niets uit. Het is de alliantie die het doet: persoon + pistool = schutter. Het is dus realistischer om te zeggen: guns without people can’t kill people, people without guns can’t shoot people; shooters kill people.
People kill people kan alleen gezegd worden in landen waar pistolen doorzichtig zijn geworden, ingeburgerd zijn als alliantiepartners.

Meteen kun je zien hoeveel gevaar je loopt als je je geen pistool kunt veroorloven in een land waar pistolen doorzichtig zijn geworden. Maar dit probleem speelt zich niet alleen af in Amerika. Overal waar technologie komt, ontstaan voorhoede en achterflank. Ook nu in Nederland onderwijs en zorg, twee zeer belichaamde sectoren, op stel en sprong naar virtueel contact zijn overgegaan.
Meteen kun je zien hoeveel risico kinderen lopen als onderwijs via videoverbinding verloopt: als er geen computer in huis is, of maar één, die ook voor het werk van een ouder nodig is, of als ouders geen digitale vaardigheden hebben om hun kinderen te helpen. Meteen kun je zien wie er vereenzamen als een samenleving te weinig investeert om iedereen mee te nemen in een nieuwe ontwikkeling.

Technologie dresseert ons

In de coronacrisis werd videobellen haast een bestaansvoorwaarde voor contact. We hadden videotechniek nodig om ons voor elkaar te ‘ont-verren’. Onder ons contact ligt de technologie als noodzakelijke voorwaarde. Die gebruiken we niet, zoals een hamer; we gaan er geen alliantie mee aan, zoals met een pistool; we zijn ervan afhankelijk. Geen techniek? Geen contact.

Wie dresseert wie?

Het lijkt alsof wij de technologie domesticeren, temmen, aan onze behoeften aanpassen. Maar tegelijkertijd domesticeert technologie ons. Wij veranderen onze leefwijze en onze behoeften evengoed om te passen binnen de kaders die die technologie ons stelt. Dat is de prijs die we betalen.

Dat is niet nieuw. Het is onze geschiedenis. Het begon al in de Agrarische Revolutie, de geleidelijke overgang van jagers-verzamelaars- naar landbouwersleven. Yuval Noah Harari beschrijft dat proces vanuit het perspectief van het graan. Mensen gingen op de knieën om stenen uit de akkers te halen, om ‘onkruid’ te wieden. Graankorrels hoefden geen moeite meer te doen om zich te verspreiden: dat ondankbare werk namen mensen over. Zo bezien, stelt Harari, heeft het graan de mens evenzeer gedomesticeerd als andersom. En door het domesticeren van dieren, waardoor dierenvirussen vrij spel kregen om op mensen over te springen, maakten mensen zichzelf veel kwetsbaarder dan voorheen…

Belichaamd of bemiddeld

Uiteindelijk zullen we onze behoeften en leefwijzen aanpassen aan de kaders die communicatietechnologieën ons stellen. Bijvoorbeeld, dat we het normaal gaan vinden om af te zien van fysieke aanwezigheid. De techniek wordt doorzichtig en de focus komt te liggen op een bespreekdoel, zonder verdere aandacht voor de effecten van het videoprogramma. Maar waar blijven de behoeften van dat belichaamde zelf?

Wen er maar aan?

De opkomst van de trein was een grote technologische schok. Artsen waarschuwden voor misselijkheid en desoriëntatie. Niemand was gewend om op hoge snelheid een landschap langs zich te zien glijden. De eerste treinreizigers konden hun waarneming van de graanvelden waar ze normaliter doorheen liepen (de geuren, de kleuren, het wiegen van de halmen op de wind en het ruisen van de wind) niet synchroniseren met de snelheid waarmee de velden aan hun ogen voorbijtrokken. Alleen hun ogen werden op vol vermogen ingeschakeld, reukvermogen werd verdrongen, gehoor werd overstemd door het gedender over de rails en beweging werd van de voeten overgenomen door de wielen. De bewegingssnelheid en de verschraling van hun waarneming waren letterlijk misselijkmakend.

Na enige tijd wenden reizigers aan die snelheid en maakte de misselijkheid plaats voor fascinatie. Victor Hugo schreef zijn vrouw bijvoorbeeld:

De snelheid is ongelooflijk. De bloemen langs de treinbaan zijn geen bloemen meer, het zijn vlekken, of meer nog, rode of witte banen; geen punten meer, alles wordt gestreept, de tarwe vormt grote gele staarten, rogge lange groene vlechten; de steden, de torenspitsen en de bomen dansen en vermengen zich krankzinnig aan de horizon, af en toe verschijnt en verdwijnt een schaduw, een gestalte, een spook als een flits bij een deur…

Na verloop van tijd konden reizigers de verbinding maken tussen hun perspectivische voetgangersblik en de panoramische blik van de treinreiziger. Maar dat kostte tijd, ongeveer vijftien jaar.

De wandelaar in ons roert zich: zoomfatigue

Als je nu leest wat mensen melden over ‘zoom fatigue’, de vreemde gewaarwording dat je elkaar niet aan kunt kijken maar eerder wederzijds zit te observeren en de ongelijktijdigheid van uitwisselingen, die onzeker en angstig maakt, kun je dus verwachten dat we ons mettertijd aan deze bemiddelde video-ervaring zullen  kunnen aanpassen. En opnieuw is de vraag, met welke horten en stoten, en met hoeveel mededogen voor de rouw die het plotselinge verlies van het oude normaal meebrengt. Een storende factor in dit proces is het vooruitgangs-elan dat vaak de introductie van nieuwe technologieën vergezelt.

Net zoals in het begin van de internetsamenleving, toen veel ineens enthousiast van een e-voorvoegsel werd voorzien, en later bij de opkomst van Apple, van een i-, zal de opwinding over de innovaties weer afvlakken, en komt er ruimte om te kijken waar de nieuwe technologieën op hun plek zijn en waar niet. Waar hebben we belichaamde verbinding nodig, en waar is bemiddeld contact genoeg? En in welke afwisseling en welke afweging? En voor wie op welke momenten?

In zorg en onderwijs zie ik bewegingen die technologie willen inzetten alleen waar het nuttig is, of beter nog, zinvol: niet waar het processen verstoort of mensen onderwerpt aan de eisen van een systeem. Bewegingen die verschil aanbrengen tussen efficiëntie en betekenis, tussen monitoren en ontmoeten. Maar ook bewegingen die laten zien dat het verschil maakt vanuit welke startpositie je contact maakt; van woonsituatie via taalvaardigheid tot wifikwaliteit. En dat verschil doet zich het sterkst gelden op momenten van betekenis.

Poezenbrein en ritueel

Kun je je behoefte aan nestgeur, nabijheid en huidcontact opgeven? Dat wordt vooral van belang op markeringsmomenten van het leven, waar we van oudsher rituelen voor hebben. Kun je afzien van het belichaamde aspect van rituelen: aanraking, gebaar, beweging in de ruimte, kijken naar een kaars die je zelf hebt aangestoken terwijl je de warmte van de vlam kunt voelen? Kun je zonder die belichaamde ervaring doen, en genoegen nemen met technische bemiddeling? Waarschijnlijk wel. De wereldgeschiedenis staat bol van dit soort overgangen, ook als het om rituelen gaat. Een ritueel als Wereldlichtjesdag is gebaseerd op een buitenperspectief op onze planeet dat pas sinds de ruimtevaart mogelijk is: er wordt een band van kaarslicht over de planeet gevormd, die we ons alleen kunnen voorstellen als we ons de positie van een ruimtevaarder voorstellen.

Pogingen tot blending van technologie en ritueel worden al zichtbaar. Bijvoorbeeld in de Virtual Candle Lightning Ceremony van Rituals today. In een videoverbinding ben je betrokken zoals bij de radio: luisterend naar een meditatie ben je in je eigen sfeer en kijk je naar de zelf aangestoken kaars vóór je. De symbolische waarde van de kaars kan voluit tot zijn recht komen. De verbinding is bemiddeld, de ervaring belichaamd.

Rituelen als betekenisvolle ervaringen

Het woord techniek komt uit het Grieks, tèchnè. Het betekent zowel techniek, vaardigheid, kunst als ambacht. In rituelen zit ook een tèchnè, een bewust vormgegeven vaardigheid, bijvoorbeeld het binnendragen van een overledene in kerk of aula. Dat is iets wat ik aanbied aan families om ‘eigen-handig’ te doen, om zelf lichamelijk te ervaren. Die tèchnè is bij het oefenen of bespreken nog helemaal ondoorzichtig. Alle aandacht gaat naar de vaardigheid van het dragen. Iemand kan zomaar vragen: ‘Maar als ik hem dan laat vallen?’ Die tèchnè kan ook maar tot op zekere hoogte doorzichtig worden. Er moet bewuste aanwezigheid in het ritueel blijven, anders wordt het routine. Het gaat bij zo’n vaardigheid tussen het juiste midden tussen gewenning en aandacht. Je moet wennen aan het gewicht op je schouder of in je hand, zodat je daarna met je volle aandacht kunt zijn bij degene je daar binnendraagt. En wat die voor jou betekent. En je ziet de kring van mensen die ook gekomen zijn om afscheid te nemen van deze persoon.

Er moeten deelnemers zijn, die betrokken zijn bij wat er gebeurt, anders wordt het theater. Het is niet vreemd dat iemand me vertelt: ‘Ik kon via de stream van de aula de uitvaart bekijken, maar ik voelde me zo’n voyeur.’ Daar spreekt de wandelaar die uit de trein wil ontsnappen: die is te zeer gehecht aan de belichaamde aandacht van het oude normaal om de ‘bemiddelde’ toeschouwer te willen zijn. Voor wie in volle aandacht aanwezig wil zijn is een stream inderdaad een schrale afgeleide.

The medium is the message

De bemiddelende rol van technologie maakt verschil voor het type aandacht dat je kunt ervaren. Waar voor de één geen verschil is tussen in de zaal zijn of via een stream kijken, is dat voor de ander doorslaggevend. De vragen die we dus moeten onderzoeken gaan over de verhouding tussen technologisch bemiddeld contact en behoud van aandacht op momenten die er werkelijk toe doen. En hoe werkelijk die dan zijn voor verschillende generaties, verschillende sociale groepen, verschillende markeringsmomenten.

Geef een reactie